2 dec2016

Betere bescherming tegen discriminatie van mensen met een beperking

Vanaf 1 januari 2017 moeten aanbieders van goederen en diensten en werkgevers geleidelijk aan zorgen voor de algemene toegankelijkheid voor mensen met een beperking. Óók als daar niet expliciet om gevraagd wordt. Dit is een uitbreiding van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ). Voorheen bepaalde deze wet dat aanbieders van goederen en diensten en werkgevers alleen verplicht waren een doeltreffende, individuele aanpassing te doen als daarom werd gevraagd. De wijziging in de wet beoogt een verandering in het denken over mensen met een beperking. Hoe toegankelijker de samenleving, hoe minder individuele, doeltreffende aanpassingen nodig zijn.

Dat aanbieders van goederen en diensten en werkgevers niet mogen discrimineren, betekent dat zij mensen niet vanwege hun beperking mogen uitsluiten of benadelen en ook niet discriminatoir mogen bejegenen. Tot voor kort konden mensen met een beperking alleen bescherming inroepen tegen discriminatie als dit gebeurde op het werk, op school, in het openbaar vervoer of bij het huren of kopen van een woning. Dat betekende dat het College voor de Rechten van de Mens niet mocht beoordelen of bijvoorbeeld een organisator van cruisereizen discrimineerde door maximaal twee personen met een handicap per reis mee te nemen en of een pretpark discrimineerde door een kind met het syndroom van Down niet tot een attractie toe te laten. Sinds 14 juni 2016 is dit veranderd. Door de inwerkingtreding van het VN-verdrag handicap is de bescherming, die mensen met een beperking kunnen krijgen als zij zich gediscrimineerd voelen, uitgebreid. Zij kunnen nu ook bij het College terecht als het gaat om discriminatie op het brede terrein van het aanbieden van goederen en diensten. Bijvoorbeeld in de horeca, het theater, in een restaurant, op een sportclub of in een winkel.

Algemene aanpassingen in plaats van individuele aanpassingen

Vanaf 1 januari 2017 breidt de verplichting van aanbieders van goederen en diensten en werkgevers zich verder uit. Voorheen hadden zij alleen de taak om op verzoek te zorgen voor doeltreffende, individuele aanpassingen, zoals een aangepaste stoel op het werk voor iemand met chronische rugklachten of langere examentijd voor een leerling met dyslexie. Vanaf volgend jaar zijn zij verantwoordelijk voor algemene materiele en immateriële aanpassingen. Ook als daar niet om gevraagd wordt. Voorbeelden hiervan zijn fysieke toegankelijkheid van gebouwen, het verbeteren van de toegankelijkheid van websites en het bevorderen van bewustwording bij winkelpersoneel. Deze uitbreiding van de WGBH/CZ is een nieuwe stap vooruit in het verwezenlijken van volledige en volwaardige participatie en persoonlijke autonomie van mensen met een beperking; de doelstelling van het VN-verdrag handicap.

Toelichting ‘Geleidelijke verwezenlijking’ en ‘algemene toegankelijkheid’

Onlangs is er een concept toelichting (AMvB) gekomen op de nieuwe verplichting voor aanbieders van goederen en diensten. Deze toelichting verduidelijkt echter niet wat ‘geleidelijke verwezenlijking’ betekent en wat onder ‘algemene toegankelijkheid’ wordt verstaan. Er is alleen duidelijk gemaakt dat het gaat over ‘eenvoudige aanpassingen’ die weinig ingrijpend zijn en niet veel kosten. Verder zijn er elementen benoemd die mee kunnen wegen om vast te stellen of de aanpassing onevenredig belastend is. Een gemiste kans om helderheid te geven over de rechten en plichten die uit deze nieuwe verplichting voortvloeien. En om nog verder bij te dragen aan het uitgangspunt dat toegankelijkheid normaal moet worden en ontoegankelijkheid de uitzondering. In overeenstemming met dit standpunt van het College en verschillende belangenorganisaties heeft de Tweede Kamer op 15 november de concept toelichting afgewezen. Staatssecretaris van Rijn van VWS krijgt tot uiterlijk 15 december 2016 de tijd om de Kamer een aangepaste toelichting aan te bieden.

 

◀ Terug naar berichten