30 nov2016

Wetsvoorstel vaststellingsprocedure staatloosheid schiet op een aantal punten tekort

Het College heeft advies gegeven op het wetsvoorstel vaststellingsprocedure staatloosheid. Staatlozen zijn mensen die door geen enkel land erkend worden, zij hebben geen nationaliteit. In Nederland staan ongeveer 2.000 mensen als staatloos geregistreerd en 80.000 mensen met nationaliteit onbekend.

Nederland heeft twee belangrijke VN-verdragen op het gebied van staatloosheid ondertekend. Deze verdragen geven staatlozen bescherming en toegang tot fundamentele rechten zoals het recht op onderwijs en identiteitspapieren. Om toegang tot die rechten te verkrijgen zal eerst moeten worden vastgesteld of een persoon staatloos is. Het is daarom goed dat de vaststellingsprocedure komt, maar het wetsvoorstel schiet op een aantal punten ernstig te kort. Op het gebied van mensenrechten ziet het College twee grote bezwaren bij het wetsvoorstel.

Het niet toekennen van rechtmatig verblijf tijdens en na vaststelling van staatloosheid gaat in tegen de doelstelling van het staatloosheidsverdrag. Hierdoor heeft deze persoon nog steeds geen toegang tot de fundamentele rechten. Staatlozen lopen hierdoor het risico door de ondergrens van de mensenrechtenbescherming te zakken. Als zij na het starten van de procedure gedetineerd of uitgezet kunnen worden ontstaat het risico dat zij de procedure überhaupt niet starten. De toegang tot het recht wordt hiermee belemmerd. Nederland zou door het niet toekennen van legaal verblijf als enige land afwijken van andere landen met een vaststellingsprocedure. Andere landen koppelen legaal verblijf wel aan de vaststellingsprocedure.

Het tweede bezwaar gaat over kinderen. Voor kinderen die in Nederland staatloos worden geboren maakt het wetsvoorstel naar mening van het College ongerechtvaardigd onderscheid. Kinderen met een verblijfsvergunning komen na drie jaar in aanmerking voor het Nederlanderschap en verkrijgen hiermee nationaliteit. Kinderen zonder een verblijfsvergunning komen pas na vijf jaar in aanmerking voor het Nederlanderschap. Daarbij worden ook nog aanvullende voorwaarden gesteld. Het College acht dit onderscheid in strijd met het VN-verdrag voor de rechten van het kind.

Het College wil dat de vaststellingsprocedure recht doet aan de VN-verdragen staatloosheid, waarbij staatlozen bescherming en toegang krijgen tot fundamentele rechten.

Het volledige advies kunt u hier lezen

◀ Terug naar berichten