Oordelen

Vitens N.V. discrimineerde een man met hartfalen door het laten vervallen van zijn salarisgarantie.

Oordeelnummer 2016-8
05-02-2016

Volledig oordeel

Oordeel

2016-8

 

 

Datum: 5 februari 2016

Dossiernummer: 2015-0303

 

 

Oordeel in de zaak van

 

[. . . .]

wonende te [. . . .], verzoeker

 

tegen

 

Vitens N.V.

gevestigd te Zwolle, verweerster

 

 

1 Procesverloop

 

1.1 Bij verzoekschrift van 10 september 2015, dat op 14 september 2015 is ontvangen, heeft verzoeker het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College) gevraagd te onderzoeken of verweerster jegens hem (verboden) onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maakt door het laten vervallen van zijn salarisgarantie.

 

1.2 Daarna zijn de volgende stukken gewisseld:

- e-mail van verzoeker van 9 oktober 2015;

- verweerschrift van 5 november 2015.

 

1.3 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2016. Partijen zijn verschenen. Verzoeker werd bijgestaan door mr. H.J. Weekers, jurist bij ARAG Rechtsbijstand. Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. L.E.J. Kiebert, advocaat te Utrecht, die werd vergezeld door [. . . .], adviseur Beleid en Expertise Arbeidsvoorwaarden en ICT bij verweerster.

 

 

2 Feiten

 

2.1 Verweerster is een drinkwaterbedrijf.

 

2.2 Verzoeker is in 1986 bij een rechtsvoorganger van verweerster in dienst getreden in de functie van Procesoperator.

 

2.3 Bij de eerste fusie van verweerster eind 1990 ontvangt verzoeker een salarisgarantie, omdat zijn functie lager werd ingeschaald, te weten in schaal 8. Deze salarisgarantie is een maandelijkse toelage van € 435,- bruto bij een voltijd dienstverband.

 

2.4 Verzoeker behoudt bij de daaropvolgende fusies zijn salarisgarantie.

 

2.5 In 2013 wordt verzoeker ziek, wat tot chronisch hartfalen heeft geleid. In januari 2015 keert verzoeker voor 50% terug in zijn eigen functie. Zijn functiebeschrijving wordt aangepast, maar hij behoudt zijn salaris in schaal 8.

 

2.6 Verzoeker is door het UWV per 8 juni 2015 voor 54,09% arbeidsongeschikt verklaard. Hij ontvangt per die datum een WGA-uitkering (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten).

 

2.7 Verweerster bericht verzoeker op 23 juli 2015 dat zijn salarisgarantie komt te vervallen. Verzoeker maakt op 18 augustus 2015 bezwaar tegen dit besluit.

 

2.8 Verweerster verklaart verzoekers bezwaar ongegrond. Zij licht bij brief van 31 augustus 2015 - voor zover relevant voor deze procedure - toe dat na twee jaar de wettelijke loondoorbetalingsplicht vervalt en de werkgever daarom alleen de loonwaarde hoeft te betalen van het werk dat verzoeker nog kan verrichten.

 

 

3 Beoordeling van het verzoek

 

3.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerster jegens verzoeker (verboden) onderscheid maakt op grond van handicap of chronische ziekte door het laten vervallen van zijn salarisgarantie.

 

Bevoegdheid van het College

 

3.2 Allereerst is de vraag aan de orde of het College bevoegd is het verzoek om een oordeel in behandeling te nemen. Verweerster stelt zich op het standpunt dat het College niet bevoegd is, omdat het verzoek ziet op de interpretatie van de salarisgarantie en de loonwaarde van verzoekers werkzaamheden.

 

3.3 Het College is van oordeel dat een salarisgarantie een arbeidsvoorwaarde is als bedoeld in artikel 4, aanhef en onderdeel e, van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ). Verzoeker stelt dat verweersters besluit om de salarisgarantie te laten vervallen samenhangt met zijn handicap of chronische ziekte. Het verzoek valt daarmee binnen de reikwijdte van de WGBH/CZ. Op grond hiervan concludeert het College dat het bevoegd is het verzoek te beoordelen.

 

Ontvankelijkheid van het verzoek

 

3.4 Verweerster stelt zich daarnaast op het standpunt dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek om een oordeel. Verweerster heeft deze stelling desgevraagd ter zitting niet nader onderbouwd. Reeds om die reden passeert het College het ontvankelijkheidsverweer.

 

Handicap of chronische ziekte?

 

3.5 Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker aan een ernstige vorm van hartfalen lijdt. Hartfalen is een chronische ziekte als bedoeld in artikel 1 WGBH/CZ. Verzoeker kan derhalve een beroep doen op de bescherming die deze wet biedt.

 

Juridisch kader

 

3.6 In 3.3 is reeds overwogen dat het verzoek binnen de reikwijdte van de WGBH/CZ valt. Voorts bepaalt artikel 1 WGBH/CZ dat onder onderscheid wordt verstaan: direct en indirect onderscheid. Van direct onderscheid is sprake indien een persoon op grond van handicap of chronische ziekte op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld. Van indirect onderscheid is sprake indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een handicap of chronische ziekte in vergelijking met andere personen bijzonder treft.

 

Onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte?

 

Standpunt van verzoeker

 

3.7 Verzoeker stelt dat verweerster verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maakt door zijn salarisgarantie te laten vervallen. Verzoeker meent dat verweerster op oneigenlijke gronden, te weten zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, zijn salarisgarantie heeft ingetrokken. Verzoeker licht verder toe dat zijn functie weliswaar inhoudelijk anders ingericht is, maar nog dezelfde zwaarte heeft als voorafgaand aan zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Verzoeker ziet zijn stelling bevestigd door het feit dat de functie in schaal 8 gewaardeerd is.

 

Standpunt van verweerster

 

3.8 Verweerster stelt zich op het standpunt dat zij jegens verzoeker geen (verboden) onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maakt. Verweerster voert aan dat zij na 104 weken arbeidsongeschiktheid geen loondoorbetalingsverplichting meer heeft en dat zij derhalve de salarisgarantie heeft laten vervallen. Ingevolge het wettelijk systeem is verweerster enkel gehouden de feitelijke loonwaarde van verzoekers werkzaamheden uit te keren. Zij verwijst hierbij naar artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verweerster stelt dat verzoeker een aangepast takenpakket heeft en dat de loonwaarde hiervan leidt tot inschaling in het maximum van schaal 8. Het handhaven van de salarisgarantie zou betekenen dat verzoekers salaris boven de markt komt te liggen, aldus verweerster.

 

Beoordeling door het College

 

3.9 Ten aanzien van de vraag of verweerster jegens verzoeker onderscheid maakt op grond van handicap of chronische ziekte door zijn salarisgarantie te laten vervallen, overweegt het College als volgt. Gelet op wat verweerster heeft aangevoerd kan als feit worden vastgesteld dat verzoeker, als hij niet ziek was geworden in de zin van artikel 7:629 BW, zijn salarisgarantie niet zou hebben verloren. De voorganger van het College, de Commissie gelijke behandeling (CGB), heeft eerder overwogen dat ziekte in de zin van artikel 7:629 BW niet per definitie gelijk te stellen is aan een handicap of chronische ziekte in de zin van de WGBH/CZ. Een persoon die (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is, hoeft immers geen handicap of chronische ziekte te hebben en vice versa. Dit betekent dat verweerster geen direct onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte jegens verzoeker maakt (vergelijk CGB 24 april 2012, 2012-73, overweging 3.18). Dit neemt echter niet weg dat verzoeker als gevolg van zijn chronische ziekte, waardoor hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geworden, in vergelijking met andere werknemers, bijzonder wordt getroffen door het laten vervallen van zijn salarisgarantie. Het College oordeelt daarom dat verweerster door de salarisgarantie te laten vervallen jegens verzoeker indirect onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maakt.

 

3.10 Dit oordeel zou anders kunnen luiden als artikel 7:629 BW beschouwd moet worden als een specifieke regeling (‘lex specialis’), die voorrang heeft boven wat bepaald is in de WGBH/CZ met betrekking tot onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden (‘lex generalis’) (vergelijk College voor de Rechten van de Mens 27 augustus 2015, 2015-98, overweging 3.11). In artikel 7:629 BW zijn hier geen aanknopingspunten voor te vinden. Het College heeft verweerster dan ook ter zitting uitdrukkelijk verzocht om een onderbouwing van haar stelling dat uit artikel 7:629 BW voortvloeit dat zij een arbeidsvoorwaarde als de salarisgarantie mag laten vervallen voor die uren waarvoor verzoeker nog bij haar in dienst is en de overeengekomen arbeid verricht. Verweerster is hier niet in geslaagd. Evenmin heeft verweerster jurisprudentie opgevoerd die steun geeft aan haar interpretatie van genoemd wetsartikel. A fortiori heeft verweerster niet onderbouwd dat artikel 7:629 BW in de hierboven bedoelde zin beschouwd moet worden als een lex specialis ten opzichte van de WGBH/CZ. Daarom wordt het oordeel dat verweerster indirect onderscheid maakt niet anders.

 

Is er een objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid?

 

3.11 In artikel 3, tweede lid, WGBH/CZ is bepaald dat het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid, indien dat onderscheid objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

 

3.12 Verweerster heeft ter rechtvaardiging van haar besluit alleen gewezen op de betekenis van artikel 7:629 BW zoals zij die ziet. Zoals hierboven geoordeeld doet dit verweer er niet aan af dat verweerster onderscheid in de zin van de WGBH/CZ maakt. Dit verweer kan dan ook niet dienen als objectieve rechtvaardiging van het onderscheid. Voor het overige heeft verweerster niets aangevoerd dat kan worden opgevat als een objectieve rechtvaardiging.

 

3.13 Het College concludeert dat het gemaakte onderscheid daarom niet objectief gerechtvaardigd is en oordeelt dat verweerster jegens verzoeker verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maakt.

 

 

4 Oordeel

 

Het College voor de Rechten van de Mens spreekt als zijn oordeel uit dat Vitens N.V. jegens [. . . .] verboden onderscheid maakt op grond van handicap of chronische ziekte door het laten vervallen van zijn salarisgarantie.

 

Aldus gegeven te Utrecht op 5 februari 2016 door mr. E.J.M. Hofhuis, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N. Rakraki, secretaris.

 

 

mr. E.J.M. Hofhuis 

 

mr. N. Rakraki

Grond:

Terrein:

Trefwoord:

Wetsartikel

Dictum: