Oordelen

De Nationale Politie discrimineert een politiemedewerkster door haar te verbieden om haar functie (het beantwoorden van het 0900-servicenummer en het opnemen van 3D-aangiften) uit te oefenen in politie uniform, in combinatie met een hoofddoek.

Oordeelnummer 2017-135
20-11-2017
Godsdienst
lees verder

Samenvatting

Situatie

Een vrouw is moslima en draagt een hoofddoek. Zij werkt bij de politie als assistent intake & service. Haar werk bestaat uit het beantwoorden van het 0900-servicenummer van de politie en het opnemen van 3D-aangiften. Bij 3D-aangiften gaat het om aangiften die burgers via een driedimensionale video-verbinding doen. De vrouw mag haar werk doen in burgerkleding en daarbij een hoofddoek dragen. Al haar collega’s die hetzelfde werk verrichten dragen hun uniform. De vrouw wil dit ook maar het politiekorps staat het haar niet toe om het politie-uniform te dragen in combinatie met haar hoofddoek. De vrouw vindt dat het korps haar hiermee discrimineert. Het korps betwist dit. Op de politieambtenaar is de ‘Gedragscode lifestyle-neutraliteit’ van toepassing. Die houdt in dat ieder zichtbaar en herkenbaar teken van o.a.(levens)overtuiging, religie, politieke overtuiging, verboden is. Dit is nodig voor de neutrale, onpersoonlijke en uniforme gezagsuitstraling van de politie. Ook is dit nodig voor de veiligheid van de politieambtenaar, aldus de het korps.

Beoordeling

Het verbod om het politie-uniform in combinatie met een hoofddoek te dragen treft de vrouw in een religieuze uiting. Daarom maakt het korps met dit verbod indirect onderscheid op grond van godsdienst. Indirect onderscheid is niet verboden als daarvoor goede redenen zijn. Het korps wil met het verbod een neutrale, uniforme gezagsuitstraling van de politie bereiken. Het gaat om het vermijden van zelfs maar de schijn van niet-neutraliteit of niet-objectiviteit. Ook is het verbod bedoeld voor de eigen veiligheid van de politieambtenaar. Dit zijn zwaarwegende belangen. Maar in de situatie van de vrouw is de noodzaak van het verbod niet aangetoond. Als de vrouw het 0900-servicenummer beantwoordt, ziet de burger haar niet. Het verbod draagt daarom hier per definitie niet bij aan de beoogde uitstraling van de politie. Als de vrouw 3D-aangiften opneemt ziet de burger haar wel, maar berust het verbod ook niet op goede redenen. De vrouw zit in een andere ruimte dan de burger, die de 3D-aangifte doet. Haar veiligheid is dus niet in geding. De vrouw neemt aangiften op maar beslist niet wat de politie er verder mee gaat doen. Zij vervult een administratieve taak. Het doel van de beoogde uitstraling - in de zin van het vermijden van een mogelijke schijn van niet-neutraliteit of niet-objectiviteit – is maar in geringe mate aan de orde. Het politiekorps toont daarom niet aan dat het verbod echt nodig is. Het College vindt hiervoor steun in het feit dat het korps de vrouw ook toestaat om met een hoofddoek haar werk te doen. Hoewel zij dan burgerkleding draagt is zij op dat moment onmiskenbaar als politieambtenaar bij de burger in beeld. Daarom oordeelt het College dat de Nationale Politie verboden onderscheid op grond van godsdienst maakt.

Oordeel

De Nationale Politie maakt jegens een vrouw verboden onderscheid op grond van godsdienst.

Grond:

Terrein:

Trefwoord:

Wetsartikel

Dictum: