Oordelen

ING Bank N.V. discrimineerde een man niet op grond van zijn politieke gezindheid bij de weigering om zijn betaalopdracht uit te voeren.

Oordeelnummer 2018-19
01-03-2018

Volledig oordeel

Oordeel

2018-19

 

 

Datum: 1 maart 2018

Dossiernummer: 2017-0291

 

 

Oordeel in de zaak van

 

[. . . ]

wonende te [. . . .], verzoeker

 

tegen

 

ING Bank N.V.

gevestigd te Amsterdam, verweerster

 

 

1 Verzoek

 

Verzoeker vraagt het College om te beoordelen of verweerster verboden onderscheid op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt door te weigeren zijn betaalopdracht uit te voeren.

 

 

2 Verloop van de procedure

 

Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- verzoekschrift van 8 augustus 2017, ontvangen op 4 september 2017;

- verweerschrift van 10 november 2017;

- brief van verzoeker van 19 december 2017;

- brief van verweerster van 2 januari 2018.

Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2018. Partijen zijn verschenen. Verzoeker werd vergezeld door [. . . .], zijn schoondochter. Verweerster werd vertegenwoordigd door prof. mr. T. Barkhuysen, advocaat te Amsterdam, die werd vergezeld door [. . . .], compliance/MRLO, mr. L.C. van Boven, advocaat te Amsterdam, en [. . . .], senior bedrijfsjurist. Na de zitting heeft het College verweerster om nadere informatie gevraagd. Deze informatie is ontvangen op 1 februari 2018. Het College heeft het onderzoek op dezelfde datum gesloten.

 

 

3 Feiten

 

Verweerster is een bank. Zij heeft een ‘Compliance Risk Management Charter’ opgesteld om haar bedrijfsrisico’s te beheersen. Onderdeel daarvan is de

‘Corporate Policy on Financial Economic Crime’, het FEC-beleid. Dit beleid is

gericht op de naleving van diverse wet- en regelgeving, waaronder de Amerikaanse sanctieregelgeving. Een onderdeel van het FEC-beleid houdt in dat verweerster geen transacties verricht met landen die op de lijst van ‘Hoog Risico Landen’ (Ultra High Risk Countries) staan, het UHRC-beleid. Een van deze landen is Cuba. Verzoeker is een klant van verweerster. Hij wilde geld overmaken aan een organisatie die het Cubaanse socialisme ondersteunt (hierna: organisatie X). Organisatie X is in België gevestigd. Verweerster weigerde de betaling uit te voeren, met een beroep op het UHRC-beleid.

 

 

4 Standpunt verzoeker

 

Verzoeker stelt dat verweerster onderscheid op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt door te weigeren een betaalopdracht aan organisatie X uit te voeren. Hij wilde lid worden van deze organisatie en droeg verweerster op om zijn contributie aan organisatie X over te maken. Zij weigerde dit, terwijl zij een andere organisatie die betrekkingen onderhoudt met Cuba (hierna: organisatie Y) gevestigd in Nederland, wel als rekeninghouder accepteert.

Organisatie X en organisatie Y verschillen in één relevant opzicht van elkaar. Organisatie X sympathiseert met de idealen van de socialistische revolutie in Cuba, terwijl organisatie Y daar kritisch tegenover staat.

 

 

5 Standpunt verweerster

 

Verweerster betwist dat zij jegens verzoeker onderscheid op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt door te weigeren zijn contributie over te maken aan organisatie X. Om het risico van overtreding van Amerikaanse sanctiewetgeving en daaruit volgende hoge boetes te vermijden, verricht zij geen betalingen die direct of indirect naar Cuba gaan. Dergelijke betalingen brengen namelijk een verhoogd sanctierisico voor haar mee. Beslissend voor de weigering een betalingsverzoek uit te voeren is de vraag of de overgemaakte gelden al dan niet direct of indirect in Cuba terecht komen. Uit de doelstelling van organisatie X blijkt dat een deel van haar gelden direct en/of indirect in Cuba terechtkomen. Uit de doelstelling van organisatie Y blijkt dat dat niet het geval is.

 

 

6 Beoordeling

 

Verboden onderscheid?

6.1 Een bedrijf mag bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten geen onderscheid op grond van politieke gezindheid maken (artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet gelijk behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 van deze wet). Verzoeker heeft sympathie voor het Cubaanse socialisme. Hij kan daarom een beroep doen op de bescherming van de AWGB.

 

6.2 Het is aan verzoeker om feiten aan te voeren die onderscheid op grond van politieke gezindheid kunnen doen vermoeden. Slaagt hij daarin, dan is het aan verweerster om te bewijzen dat zij niet in strijd met de AWGB heeft gehandeld (artikel 10, eerste lid, AWGB).

 

6.3 Onbetwist is dat zowel organisatie X als organisatie Y betrokkenheid met Cuba hebben. Ook is onbetwist dat beide organisaties een verschillende politieke gezindheid vertegenwoordigen. Het feit dat verweerster de betaalopdracht van verzoeker aan organisatie X niet heeft uitgevoerd, terwijl zij organisatie Y al geruime tijd als klant heeft, doet vermoeden dat de weigering van de betaalopdracht te maken heeft met de politieke gezindheid van de organisatie, danwel die van verzoeker die deze organisatie wil steunen. Op grond hiervan oordeelt het College dat verzoeker feiten heeft aangevoerd die doen vermoeden dat zijn politieke overtuiging een rol heeft gespeeld bij de beslissing van verweerster. Het is derhalve aan verweerster om te bewijzen dat zij geen onderscheid op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt bij haar beslissing om de betaalopdracht van verzoeker te weigeren.

 

6.4 Verweerster verklaart dat het UHRC-beleid onderscheid maakt tussen: (a) het faciliteren van betalingen die direct of indirect daadwerkelijk gaan naar personen, organisaties of bedrijven woonachtig of gevestigd in UHRC-landen; en (b) het faciliteren van betalingen die direct noch indirect naar personen of bedrijven woonachtig of gevestigd in UHRC-landen gaan, waarbij slechts een ‘connectie’ bestaat met een UHRC-land als thema van activiteiten. Betaalopdrachten in situatie (a) voert verweerster niet uit en die in situatie (b) wel. Het College stelt vast dat voor verweerster beslissend is of bij het uitvoeren van een betaalopdracht de gelden direct dan wel indirect besteed worden in Cuba. Uit de door verweerster vertrouwelijk overgelegde informatie over het betalingsverkeer van organisatie Y in de jaren 2014, 2015, 2016 en 2017 blijkt dat geen directe betalingen zijn verricht vanuit dan wel naar Cuba. Uit de doelstelling van organisatie Y ziet het College ook geen aanwijzingen dat de gelden van deze organisatie direct en/of indirect in Cuba terechtkomen. Deze organisatie houdt een weblog bij en brengt een e-magazine uit met daarin nieuws over en uit Cuba. Voorts blijkt uit de schriftelijke verklaring van deze organisatie, die zij op verzoek van verweerster in verband met het UHRC-beleid in 2016 heeft opgesteld, dat zij financieel geen zaken doet met Cubanen of Cubaanse bedrijven. De doelstelling van organisatie X is het voeren van campagnes en het organiseren van solidariteitsacties met Cuba en tegen de houding van de VS en Europa. In dit verband organiseert zij solidariteitsdagen en inleefreizen ter plaatse en nodigt zij gasten uit Cuba uit. Voorts doet zij vrijwilligerswerk in Cuba en ondersteunt zij projecten in Cuba middels de opbrengsten uit campagnes die in Europa worden gevoerd. Hieruit volgt dat (een deel van) de gelden van deze organisatie direct en/of indirect terechtkomen in Cuba. Verweerster weerlegt hiermee het bewijsvermoeden in die zin dat zij haar criterium voor het niet uitvoeren van betalingsverzoeken – te weten of de gelden in Cuba terecht kunnen komen- voldoende heeft onderbouwd. Het College acht hiermee bewezen dat niet de politieke gezindheid bepalend is geweest, maar de besteding van de gelden, hetgeen het verschil tussen verweersters handelen jegens organisatie X en Y kan verklaren. Dit leidt tot het oordeel dat verweerster jegens verzoeker geen verboden onderscheid op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt bij de weigering om zijn betaalopdracht uit te voeren.

 

 

7 Oordeel

 

ING Bank N.V. heeft jegens [. . . .] geen verboden onderscheid op grond van politieke gezindheid gemaakt.

 

Aldus gegeven te Utrecht op 1 maart 2018 door prof. mr. J.C.J. Dute, voorzitter, mr. dr. C. van Eck en mr. C.A. Goudsmit, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. N. Günes, secretaris.

 

 

prof. mr. J.C.J. Dute        

namens deze,         

mr. dr. J.P. Loof       

collegelid        

 

 

mr. N. Günes

namens deze,

mr. M.A. de Groot

secretaris

Grond:

Terrein:

Trefwoord:

Wetsartikel

Dictum: