Oordelen

De WGBL is niet van toepassing op een regeling voor het aanvullend partnerpensioen. Daarom is het College voor de Rechten van de Mens niet bevoegd om te oordelen over het besluit van Stichting Pensioenfonds UWV om een leeftijdsafhankelijke premie in te voeren.

Oordeelnummer 2018-28
26-03-2018
Leeftijd
lees verder

Samenvatting

Situatie

Een man werkt bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Naast ouderdoms- en nabestaandenpensioen bouwt hij aanvullend partnerpensioen op. Voor het aanvullend partnerpensioen werd tot 1 april 2017 een leeftijdsonafhankelijke premie van 1,5% in rekening gebracht. Vanaf deze datum geldt een leeftijdsafhankelijke premie. De man gaat daardoor een premie van 2,5% betalen, terwijl jongere deelnemers juist lagere premiepercentages verschuldigd zijn.

 

Beoordeling

Het aanvullend partnerpensioen is een voorziening waarvoor een werknemer individueel, vrijwillig en geheel voor eigen rekening kan kiezen. Daarom is geen sprake van een arbeidsvoorwaarde. Het College is dan ook niet bevoegd om een oordeel te geven over het leeftijdsonderscheid dat per 1 april 2017 bij de aanvullende partnerpensioenregeling wordt gemaakt. Het aanbieden van de aanvullende partnerpensioenregeling kan wel

aangemerkt worden als het aanbieden van een dienst in het zakelijk verkeer. Maar de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid ziet niet op het aanbieden van goederen en diensten.

 

Oordeel

Het College voor de Rechten van de Mens is niet bevoegd om te beoordelen of Stichting Pensioenfonds UWV jegens de man verboden onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt.

Grond:

Terrein:

Trefwoord:

Wetsartikel

Dictum: