Toegelicht

Gepubliceerd 09 februari 2017, 09:13 en laatst aangepast 09 februari 2017, 10:37

Stervenshulp bij voltooid leven?

De ministers van VWS en V&J hebben in oktober 2016 namens het kabinet een brief aan de Tweede Kamer gestuurd. Hierin kondigden ze nieuwe wetgeving aan die stervenshulp mogelijk maakt voor (gezonde) mensen die vinden dat hun leven ‘voltooid’ is. Uitgangspunten hierbij zijn persoonlijke autonomie en barmhartigheid. Niet lang daarna, op 18 december 2016, presenteerde D66-Kamerlid Dijkstra een eigen ontwerp-initiatiefwetsvoorstel stervenshulp bij ‘voltooid leven’. Dit voorstel heeft betrekking op ouderen vanaf 75 jaar. Uitgangspunten hierbij zijn zelfbeschikking, autonomie en beschermwaardigheid van het leven. D66 bood iedereen de mogelijkheid om tot 1 februari 2017 te reageren op het voorstel via de website van de partij.

Met hun voorstellen voor aparte wetgeving die ‘stervenshulp bij voltooid leven’ mogelijk moet maken, gaan de VVD-bewindslieden en Kamerlid D66 Dijkstra in tegen de conclusies van de Adviescommissie Schnabel. Deze commissie was om advies gevraagd over dit onderwerp door het kabinet. Zij concludeerde in 2016 in haar rapport Voltooid leven dat de huidige euthanasiewetgeving voldoende ruimte biedt voor levensbeëindigend handelen voor mensen die vinden dat hun leven ‘voltooid’ is. In de huidige wet moet het lijden een medische oorzaak hebben, maar dat hoeft volgens de commissie geen obstakel te zijn voor hulp aan mensen die hun leven als voltooid zien.Reden: het merendeel van de mensen die menen dat hun leven is voltooid zijn ouderen die aan ‘een opeenstapeling van ouderdomsklachten’ lijden. De Adviescommissie wees daarnaast op de risico’s van nieuwe wetgeving. Het kabinet is van mening dat de huidige euthanasiewetgeving geen stervenshulp toestaat voor gezonde mensen met een ‘voltooid leven’. Voor deze mensen wil het kabinet aparte wetgeving maken.

Op woensdag 26 oktober 2016 debatteerde de Tweede Kamer over de kabinetsreactie op het rapport van de Adviescommissie Schnabel. In dat debat werd ook het voorstel van het kabinet besproken voor aparte wetgeving die stervenshulp bij voltooid leven mogelijk maakt. In dat debat kwamen verschillende visies naar voren, waarbij  de parlementariërs en de betrokken bewindslieden wezen op een aantal centrale waarden: persoonlijke autonomie, zelfbeschikking, menselijke waardigheid en de bescherming van menselijk leven. Deze zijn ook aan te merken als fundamentele mensenrechtelijke waarden. Verschillende politieke partijen gaven in het debat aan mee te willen denken met het kabinet over nadere uitwerking van de randvoorwaarden voor de stervenshulp bij voltooid leven (een mogelijke leeftijdsgrens bijvoorbeeld). Andere partijen, zowel religieuze als niet-religieuze, gaven aan meer te zien in beleid dat moet voorkomen dat mensen hun leven als voltooid gaan zien. D66 kondigde toen aan met een eigen wetsvoorstel te komen.

Welke rol spelen mensenrechten?

Het recht op leven  is opgenomen in diverse verdragen, zoals in:

Het laatste artikel heeft betrekking op de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam. Dit houdt in dat iedereen het recht heeft om zelf te bepalen wat er met zijn lichaam gebeurt. Niemand mag dat voor een ander bepalen, ook de overheid niet.

Het recht op leven is één van de meest fundamentele rechten van de mens. Het legt overheden een verbod op om mensen  opzettelijk te doden; dit is een negatieve verplichting, waarbij de overheid iets moet nalaten. Maar het recht op leven bevat ook de positieve verplichting voor de overheid: passende maatregelen nemen om het leven van alle mensen binnen de nationale rechtsmacht te beschermen. Hier hoort ook de verplichting bij om preventieve, beschermende maatregelen te nemen als het leven van mensen gevaar loopt. In het politiek-maatschappelijk debat over stervenshulp bij voltooid leven wordt de nadruk gelegd op het beschermen van het leven van kwetsbare, oudere mensen.Het gaat daarbij niet alleen om  bescherming tegen de druk van familie, maar ook tegen de maatschappelijke druk op ouderen om gebruik te maken van de mogelijkheid van euthanasie (omdat de zorg voor ouderen onbetaalbaar wordt bijvoorbeeld). De overheid moet mensen ook beschermen tegen een onvrijwillige en niet-weloverwogen keuze voor euthanasie.

Het recht op eerbiediging van het persoonlijk, familie- en gezinsleven staat in artikel 8 EVRM. De bescherming van het recht op privéleven omvat vele aspecten van het persoonlijk leven. Bijvoorbeeld het recht op onaantastbaarheid van het lichaam en het recht op persoonlijke autonomie.  Dit omvat onder meer het respecteren van een oorspronkelijke persoonlijke beslissing tot beëindiging van het eigen leven. Naar dit aspect van het privéleven wordt verwezen in het politiek-maatschappelijke debat over stervenshulp bij voltooid leven. Art. 8 EVRM heeft als hetbelangrijkste doel om personen te beschermen tegen willekeurige inmenging door de staat of anderen. Maar daarnaast omvat het artikel ook positieve verplichtingen voor de staat. Zoals het effectief beschermen van iemands recht op lichamelijke onaantastbaarheid en tegen inmenging van anderen. 

In de Grondwet en verdragen is ook opgenomen onder welke voorwaarden deze rechten mogen worden ingeperkt.

Wat is de betekenis van mensenrechten voor de aangekondigde nieuwe wetgeving

De mensenrechtennormen geven geen duidelijke richting aan voor de discussie over stervenshulp bij voltooid leven. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft tot nu toe geen enkele zaak beoordeeld over de (on)toelaatbaarheid van euthanasie waarbij een arts betrokken is. De zaken waarover dit Hof heeft geoordeeld, hebben betrekking op levensbeëindiging met hulp van familieleden. En op vrije toegang tot dodelijke middelen waarmee iemand zijn leven kan beëindigen. Al deze zaken staan op het factsheet “End of Life and the European Convention on Human Rights”. Voor het onderwerp ´stervenshulp bij voltooid leven´zijn vooral de volgende zaken belangrijk: Pretty t. Verenigd Koninkrijk uit 2002, Haas t. Zwitserland uit 2011, Koch t Duitsland uit 2012, Gross t Zwitserland uit 2013 en Lambert e.a. t. Frankrijk uit 2015. Deze uitspraken kunnen de betekenis van mensenrechten voor stervenshulp bij een voltooid leven helpen te verduidelijken. Het gaat dan in het bijzonder om de betekenis van het recht op leven en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in hun onderlinge samenhang. Een korte schets van de belangrijkste EHRM-uitspraken op dit terrein is opgenomen in de uitgebreide versie van dit Toegelichtje.

Conclusie: ruime beslissingsvrijheid voor nationale overheden

Er zijn geen uitspraken van het EHRM over ‘levensbeëindiging’ die gaan over euthanasie of over professionele stervenshulp aan gezonde mensen met een ‘voltooid leven’. Maar de vaste lijn in de uitspraken van het EHRM over hulp bij zelfdoding door een niet-arts, kunnen wel richting geven aan een mensenrechtelijke beoordeling hiervan:

  • Nationale overheden hebben een aanzienlijke mate van keuzevrijheid (‘margin of appreciation’) om zelf te beslissen of zij hulp bij zelfdoding toestaan of niet;
  • Een staat heeft geen verplichting tot het creëren van voorzieningen om mensen te helpen bij (waardige) zelfdoding in het algemeen of in geval van ‘voltooid leven’ in het bijzonder;
  • Een staat heeft wel de vrijheid om die voorzieningen te creëren. Maar bij de keuze die staten zelf mogen maken bij de afwegingvan de bescherming van het leven en de keuzevrijheid over het beëindigen van het eigen leven, moeten staten dan wel voldoen aan de eisen die volgen uit art. 2 en 8 van het EVRM. Dit betekent dat als de Nederlandse wetgever ervoor kiest om stervenshulp bij een voltooid leven mogelijk te maken op grond van het recht op privéleven en persoonlijke autonomie, hier ook een belangrijke plicht voor de overheid bij komt kijken. Op grond van art. 2 EVRM (recht op leven) heeft de overheid de plicht om uit te sluiten dat iemand onvrijwillig kiest voor stervenshulp bij voltooid leven, of dat zijn keuze door anderen is beïnvloed op onaanvaardbare wijze. De overheid is verplicht om hiervoor procedurele waarborgen en controlemechanismen te ontwerpen. Er moeten duidelijke richtlijnen en procedures komen die garanderen dat een persoon die zijn leven wenst te beëindigen, dit doet uit eigen vrije wil en de gevolgen ervan volledig begrijpt.

Meer informatie

Rapport Voltooid leven, Adviescommissie Schnabel, februari 2016

De cliënt centraal, College voor de Rechten van de Mens, 2015

Factsheet End of Life and the European Convention on Human Rights, EHRM, juli 2015.

Onderzoeksvragen Adviescommissie voltooid leven inzake de uitleg van het EVRM, M.A.J.M. Buijsen

Onderzoeksvragen Adviescommissie voltooid leven - Uitleg van het EVRM, A.Hendriks

Tags

Trefwoord: