Verdragen en wetten

Verdragen en wetten

Verenigde Naties

 

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM)

Een van de doelstellingen van de Verenigde Naties (VN) is het beschermen en bevorderen van de rechten van de mens. In 1946 stelde de VN de Commissie voor de Rechten van de Mens in, met Eleanor Roosevelt als voorzitter. De belangrijkste taak van deze Commissie was het opstellen van het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens ('International Bill of Rights'), bestaande uit een verklaring en een verdrag. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) nam op 10 december 1948 de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aan. In 1950 is deze datum uitgeroepen tot Dag van de Rechten van de Mens. De UVRM is de eerste internationale bevestiging van de universaliteit van mensenrechten. Alle mensenrechten zijn universeel, wat betekent dat mensenrechten gelden voor ieder mens op de wereld. Omdat de UVRM als resolutie van de AVVN is aangenomen, is hij als zodanig niet juridisch bindend. In de loop der jaren is steeds naar de UVRM verwezen in andere instrumenten, en tegenwoordig wordt vrij algemeen aangenomen dat een groot deel van de inhoud van de UVRM deel uitmaakt van het internationale gewoonterecht, en daarmee juridisch bindend is. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bevat 30 artikelen 

VN-verdragen

Het had aanzienlijk meer voeten in de aarde om de mensenrechten in verdragen vast te leggen. Dat had onder andere te maken met de gespannen internationale betrekkingen in de jaren '50 en '60. In 1966 nam de AVVN het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het Internationale Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) aan. Na de 35e ratificatie traden beide verdragen in 1976 in werking. Voor Nederland zijn de verdragen van kracht sinds 11 maart 1979.

Naast de twee algemene verdragen zijn er diverse verdragen die specifieke aandacht besteden aan een groep mensen, of aan een bepaald recht.

De VN-Canon biedt een introductie op het werk van de Verenigde Naties

Binnen het VN-mensenrechteninstrumentarium zijn er negen kernverdragen. Dat zijn:

Deze verdragen werken verschillende mensenrechten meer gedetailleerd uit dan in de algemene verdragen is gebeurd. Zo staat in de algemene verdragen dat niemand mag worden gefolterd. Het verdrag tegen foltering legt staten heel concrete verplichtingen op en vult daarmee die algemene verplichting verder in. Zo bepaalt het verdrag bijvoorbeeld dat staten politieagenten regelmatig moeten blijven trainen in verhoortechnieken om ervoor te zorgen dat zij arrestanten niet folteren.

Een van de negen kernverdragen zijn nog niet door Nederland nog niet getekend en geratificeerd, het CMW.

Bij elk van deze verdragen is een comité van onafhankelijke deskundigen ingesteld dat toezicht houdt op de naleving van het verdrag. Elk verdrag kent een rapportageprocedure, die inhoudt dat verdragsstaten regelmatig moeten rapporteren over de naleving van de verdragsverplichtingen. Het comité onderzoekt het rapport, en neemt een slotcommentaar aan. Enkele verdragen bieden individuen de mogelijkheid te klagen over de naleving door de overheid (zgn. individueel klachtrecht). Voor wat betreft Nederland kan – als aan verschillende eisen is voldaan, zoals het doorlopen van de procedures op nationaal niveau – geklaagd worden over vermeende schendingen van het IVBPR, CERD, CAT en het Vrouwenverdrag.

Raad van Europa

De Raad van Europa (RvE) is een internationale organisatie die zich richt op het verspreiden en bevorderen van democratie en mensenrechten. 47 staten, waaronder Nederland, zijn aangesloten bij de Raad van Europa.

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)

Het meest bekende Verdrag van de Raad van Europa is het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Rechten (EVRM). Nederland heeft dit verdrag in 1950 ondertekend en in 1954 geratificeerd. Alle 47 lidstaten van de Raad van Europa hebben het EVRM geratificeerd. Dit is een voorwaarde voor lidmaatschap van de organisatie. In het EVRM zijn onder meer gegarandeerd het recht op vrijwaring van slavernij, verbod van foltering, het recht op vrijheid van persoon, eerlijk proces, vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, en het recht op bescherming van het privé- en gezinsleven. Aan het EVRM zijn apart te ratificeren protocollen toegevoegd, die aanvullende rechten bevatten, zoals het recht op eigendom, het recht op bewegingsvrijheid en een algemeen verbod op discriminatie.

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens houdt toezicht op het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) door klachten te behandelen van individuen tegen de lidstaat. Individuen moeten dan wel eerst alle mogelijke rechtsprocedures op nationaal niveau hebben doorlopen. De uitspraken van het Europese Hof zijn bindend; lidstaten zijn verplicht om bij een geconstateerde schending maatregelen te nemen. Het Comité van Ministers van de Raad van Europa controleert de naleving van deze uitspraken.

Europese Unie

EU Handvest voor de GrondrechtenDe doelstellingen van de Europese Unie zijn in de eerste plaats van economische en politieke aard; het is een geheel andere organisatie dan de Raad van Europa. Het Europese Hof van Justitie in Luxemburg (HvJ) ziet toe op de naleving van EU-recht, en is geen mensenrechtenhof. De oorspronkelijke oprichtingsverdragen van de EG kenden geen mensenrechtenbepalingen. Niettemin kreeg het HvJ in de loop der jaren zaken voorgelegd waarin de vraag aan de orde kwam of handelingen van een van de instellingen in strijd waren met fundamentele rechten. Het HvJ bevestigde dat fundamentele rechten deel uitmaken van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, en dat het HvJ een rol speelt in de naleving daarvan. In verschillende arresten heeft het HvJ een belangrijke basis gelegd voor de discussie over fundamentele rechten op politiek niveau binnen de EU. Het Verdrag van Maastricht (1992) is een mijlpaal. Hierin is vastgelegd dat de Unie fundamentele rechten respecteert. Het Verdrag verwijst naar het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Rechten (EVRM) en de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de Lidstaten. Na lange onderhandelingen over inhoud en juridische status (bindend of niet) kwam het EU Handvest voor de Grondrechten tot stand. Het Handvest werd in december 2000 in Nice formeel afgekondigd door het Europees Parlement, de Europese Raad en de Europese Commissie. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (december 2009) werd het Handvest juridisch bindend.

Het Handvest kent zeven hoofdstukken waarin een groot aantal rechten is gegarandeerd, zoals het recht op leven en het verbod van marteling, het recht op bescherming van het privéleven, het recht op vrijwaring van discriminatie en het recht op een eerlijk proces. Alle Europese instellingen moeten zich in de uitvoering van hun taken aan het Handvest houden. Wanneer Lidstaten EU-wetgeving uitvoeren geldt het Handvest eveneens. 

Bureau voor de GrondrechtenSinds 2007 is het Bureau voor de Grondrechten, ook bekend als het Fundamental Rights Agency (FRA), operationeel. Het doel van dit Bureau is het verlenen van bijstand en expertise aan de instellingen van de gemeenschap en de lidstaten van de Europese Unie op het gebied van de grondrechten. Het Bureau is gevestigd in Wenen. Tot de taken van het Bureau behoort het verzamelen en analyseren van gegevens over maatregelen op het gebied van de grondrechten. Het Bureau publiceert jaarverslagen en thematische verslagen. Het Bureau onderhoudt relaties met andere instanties, zoals de Raad van Europa en andere internationale organisaties, overheidsinstanties en nationale mensenrechteninstituten. Het doel is tot samenwerking te komen en werkzaamheden af te stemmen.

EU richtlijnen over discriminatieHet verbod op discriminatie is een van de fundamentele beginselen van de EU. De organisatie bestrijdt discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of geloofsovertuiging, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid. Het recht op non-discriminatie is vastgelegd in de EU-verdragen en in het Handvest van de Grondrechten. Verder zijn vanaf 2000 richtlijnen tot stand gebracht, over gelijke behandeling ongeacht ras of etnische afstamming en gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Er zijn voorstellen voor een richtlijn over andere discriminatiegronden (waaronder godsdienst en handicap), maar hierover is nog geen overeenstemming bereikt. De lidstaten en de instellingen en instanties van de Unie worden door het Bureau voor de Grondrechten bijgestaan in de tenuitvoerlegging van de Europese wetgeving inzake non-discriminatie. Hieronder staat een overzicht van relevante richtlijnen:

Nederlandse Grondwet

De Grondwet is de hoogste nationale wet. Hoofdstuk I van de Nederlandse Grondwet bevat mensenrechten. Mensenrechten in nationale grondwetten worden ook wel grondrechten genoemd. De Grondwet bevat burgerrechten en politieke rechten, zoals het recht op vrijheid van meningsuiting en het kiesrecht. Ook bevat de Grondwet een aantal sociale grondrechten. In de Grondwet zijn deze rechten niet geformuleerd als individuele rechten, maar als verplichtingen voor de overheid. Zo bepaalt onze Grondwet niet met zoveel woorden dat ieder het recht op arbeid heeft, maar dat bevordering van voldoende werkgelegenheid voorwerp van zorg is van de overheid. De Staatscommissie Grondwet heeft in november 2010 haar rapport aangeboden, met aanbevelingen over aspecten van de Grondwet die aan herziening toe zijn als gevolg van bijvoorbeeld technologische ontwikkelingen.

Verdragen hebben in Nederland een bijzondere status. Voordat Nederland overgaat tot ratificatie onderzoekt de overheid of wetten of regels moeten worden aangepast. Er geldt immers de algemene verplichting dat verdragen moeten worden nageleefd. Het komt uiteraard voor dat mensen menen dat nationale regels toch niet in overeenstemming zijn met internationale normen, en dat door toepassing van een nationale regel hun mensenrechten zijn geschonden. Als zij naar de rechter gaan, kunnen sommige internationale bepalingen door mensen worden ingeroepen en door de rechter worden toegepast. Welke bepalingen door de rechter kunnen worden toegepast, hangt af van de formulering. Het is de rechter die oordeelt of het wel of niet kan. Bij burgerrechten en politieke rechten is het meestal wel het geval, bij economische en sociale rechten is de rechter veel terughoudender.

Deze mogelijkheid is relevant in de Nederlandse situatie omdat wetten niet aan de Grondwet mogen worden getoetst. De Grondwet gaat ervan uit dat de wetgever ervoor heeft gezorgd dat wetten niet in strijd zijn met de Grondwet. De Grondwet staat wel toe dat wetten aan internationale bepalingen worden getoetst. Als de rechter tot de conclusie komt dat een wet inderdaad in strijd is met een internationale bepaling, wordt de nationale wettelijke bepaling niet toegepast.

Klik hier om naar de Grondwet te gaan.

Gelijkebehandelingswetgeving

Artikel 1 van de Grondwet is een algemene bepaling die het in de eerste plaats de overheid verbiedt om haar burgers te discrimineren. Om het recht op gelijke behandeling te garanderen zowel tussen overheid en burgers, als tussen burgers onderling, is artikel 1 van de Grondwet in de volgende wetten uitgewerkt:

  1. Wet College voor de Rechten van de Mens (WCRM)
  2. Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)
  3. Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd (WGBL)
  4. Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ)
  5. Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
  6. Wet onderscheid arbeidsduur (WOA)
  7. Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd (WOBOT)

1. Wet College voor de Rechten van de Mens (WCRM, klik hier voor de volledige tekst)Op 1 oktober 2012 is de WCRM in werking getreden. Bij deze wet is het College voor de Rechten van de Mens opgericht. In de wet zijn de taken, bevoegdheden, samenstelling en werkwijze van het College vastgelegd. Ook staan in de wet bepalingen die betrekking hebben op de overgang van de Commissie Gelijke Behandeling naar het College voor de Rechten van de Mens. 

2. Algemene wet gelijke behandeling (AWGB, klik hier voor de volledige tekst)De wet is in 1994 in werking getreden en biedt bescherming aan mensen die gediscrimineerd worden op grond van:

  • godsdienst/levensovertuiging
  • politieke gezindheid
  • ras, afkomst
  • geslacht: man, vrouw, transgender (transseksuelen, travestieten, interseksuelen)
  • zwangerschap
  • nationaliteit
  • hetero- of homoseksuele gerichtheid (biseksuele gerichtheid)
  • burgerlijke staat: gehuwd of ongehuwd, wel of geen geregistreerd partnerschap

Bescherming van de Algemene wet gelijke behandeling kan alleen worden ingeroepen als het gaat om discriminatie op de volgende terreinen:

  • Arbeid: zoals bejegening op het werk, bij de werving en selectie, bemiddeling, ontslag, arbeidsvoorwaarden en promotie. De volgende personen kunnen hierop onder meer een beroep doen: werknemers, sollicitanten, vrijwilligers, uitzendkrachten, oproepkrachten en stagiairs.
  • Goederen en diensten: zoals wonen, welzijn, gezondheidszorg, cultuur, onderwijs, financiële dienstverlening, verzekeringsdiensten, winkelen, sporten en uitgaan. De volgende personen kunnen hierop onder meer een beroep doen: consumenten, patiënten, studenten, scholieren en leerlingen.
  • Het vrije beroep: freelancers en zelfstandig ondernemers, zoals makelaars, artsen en architecten.
  • Lidmaatschap vakbond of vereniging van beroepsgenoten: personen die belemmerd worden om lid te worden van een vakbond of een vereniging van beroepsgenoten kunnen hierop een beroep doen.
  • Sociale bescherming: zoals uitkeringen, studiefinanciering. Personen die menen dat onderscheid is gemaakt op grond van ras bij de sociale bescherming kunnen hierop doen.

3. Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ, klik hier voor de volledige tekst)De wet is in 2003 in werking getreden. Personen die menen dat zij gediscrimineerd worden op grond van een handicap of een chronische ziekte kunnen een beroep doen op deze wet.  De wet verplicht om, indien hierom is verzocht, doeltreffende aanpassingen te verrichten voor personen met een handicap of chronische ziekte, tenzij deze aanpassingen een onevenredige belasting vormen. Alle langdurige lichamelijke, verstandelijke en psychische beperkingen vallen onder deze wet.

Op deze wet kan alleen een beroep worden gedaan als sprake is van discriminatie op de volgende terreinen:

  • Arbeid, zoals bejegening op het werk, bij de werving en selectie, bemiddeling, ontslag, arbeidsvoorwaarden en promotie. De volgende personen kunnen hierop onder meer een beroep doen: werknemers, sollicitanten, vrijwilligers, uitzendkrachten, oproepcontractanten en stagiairs.
  • Het vrije beroep: freelancers en zelfstandig ondernemers, zoals makelaars, artsen, architecten.
  • Lidmaatschap vakbond of vereniging van beroepsgenoten. Iedereen die belemmerd wordt om lid te kunnen worden van een vakbond of een vereniging van beroepsgenoten kan hierop een beroep doen.
  • Beroepsonderwijs, zoals praktijkonderwijs, mbo-, hbo- en universitaire opleidingen. De volgende personen kunnen hierop onder meer een beroep doen: leerlingen, scholieren en studenten.
  • Basis- en voortgezet onderwijs (vanaf 1 augustus 2009). Scholieren en leerlingen kunnen een beroep doen op de WGBH/CZ. 
  • Wonen (vanaf 15 maart 2009). De volgende personen kunnen hierop onder meer een beroep doen: huurders en kopers. Bouwkundige of woontechnische aanpassingen vallen niet onder de wet.
  • Openbaar vervoer (vanaf 9 mei 2012). De volgende personen kunnen hierop onder meer een beroep doen: trein-, bus- en metroreizigers.
  • Goederen en diensten (vanaf 14 juni 2016): onder meer winkelen, sporten, uitgaan, verzekeren, en zorg

De WGBH/CZ wordt de komende jaren op het gebied van openbaar vervoer als volgt uitgebreid:

  • Vanaf 1 januari 2015 – toegankelijkheid van metrohaltes, metrostations en reisinformatie
  • Vanaf 1 januari 2016 – toegankelijkheid van bushaltes
  • Vanaf januari 2020 – toegankelijkheid van trams, tramhaltes en treinstations
  • Vanaf 1 januari 2030 – toegankelijkheid van treinen

4. Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (WGBL, klik hier voor de volledige tekst)De wet is in 2004 in werking getreden en is bedoeld voor mensen die gediscrimineerd worden vanwege hun leeftijd, bijvoorbeeld omdat zij te jong of juist te oud zijn.Op deze wet kan alleen een beroep worden gedaan als sprake is van discriminatie op de volgende terreinen:

  • Arbeid, zoals bejegening op het werk, bij de werving en selectie, ontslag, arbeidsvoorwaarden en promotie. De volgende personen kunnen hierop onder meer een beroep doen: werknemers, sollicitanten, vrijwilligers, uitzendkrachten, oproepcontractanten en stagiairs.
  • Het vrije beroep: freelancers en zelfstandig ondernemers, zoals makelaars, artsen, architecten.
  • Lidmaatschap vakbond of vereniging van beroepsgenoten. Iedereen die belemmerd wordt om lid te kunnen worden van een vakbond of een vereniging van beroepsgenoten kan hierop een beroep doen.
  • Beroepsonderwijs, zoals praktijkonderwijs, mbo-, hbo- en universitaire opleidingen. De volgende personen kunnen hierop onder meer een beroep doen: leerlingen, scholieren en studenten.

5. Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB, klik hier voor de volledige tekst)Deze wet is in 1980 in werking getreden. De wet behandelt het verschil in behandeling tussen mannen en vrouwen op het werk: een werkgever mag niet discriminerenbij het aangaan van een arbeidsovereenkomst, bij de arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden, de bevordering en het ontslag. Zowel mannelijke alsvrouwelijke werknemers kunnen een beroep doen op deze wet, bijvoorbeeld als zij bij de arbeidsvoorwaarden ongelijk worden behandeld.

6. Wet onderscheid arbeidsduur (WOA, klik hier voor de volledige tekst)Deze wet is in 1996 in werking getreden. De wet verbiedt een verschil in behandeling tussen deeltijders en voltijders op het werk, tenzij hiervoor een objectieve rechtvaardiging (goede reden) aanwezig is. Zowel werknemers die in voltijd als werknemers die in deeltijd werken kunnen een beroep doen op deze wet als zij ongelijk worden behandeld bij de voorwaarden waaronder een arbeidscontract wordt aangegaan, voorgezet of beëindigd.

7. Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd (WOBOT, klik hier voor de volledige tekst)Deze wet is in 2002 in werking getreden. De wet verbiedt een verschil in behandeling tussen werknemers met een vast arbeidscontract en werknemers met een tijdelijk arbeidscontact, tenzij hiervoor een objectieve rechtvaardiging (goede reden) aanwezig is. Werknemers kunnen een beroep doen op deze wet als zij bij de arbeidsvoorwaarden ongelijk worden behandeld.

Uitzonderingen gelijkebehandelingswetgeving: wanneer mag wel onderscheidgemaakt worden?

In de bovengenoemde wetten zijn uitzonderingen opgenomen. Deze uitzonderingen zijn bedoeld om het maken van onderscheid onder bepaalde voorwaarden wel toe te staan.

1. Objectieve rechtvaardigingIndirect onderscheid is toegestaan als daarvoor een goede reden aanwezig is, de zogenoemde objectieve rechtvaardiging. Als sprake is van onderscheid op grond vanleeftijd, arbeidsduur of vast/tijdelijk arbeidscontract kan ook direct onderscheid objectief gerechtvaardigd zijn. Het College beoordeelt op basis van de volgende voorwaarden of het aangevoerde een objectieve rechtvaardiging vormt:

  1. Allereerst beoordeelt het College of het doel van de discriminatie legitiem is;
  2. Vervolgens beoordeelt het College of het middel geschikt en noodzakelijk is.

Als het doel legitiem en het middel geschikt en noodzakelijk is, dan is het gemaakte onderscheid niet verboden.

De WGBL kent twee uitzonderingen waarbij leeftijdsonderscheid bij voorbaat als objectief gerechtvaardigd wordt beschouwd:

  1. Leeftijdsonderscheid in het kader van arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid dat bij of krachtens wet is vastgesteld.
  2. Beëindiging van een arbeidsverhouding bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd of op een later moment dat door beide partijen is afgesproken.

2. VoorkeursbeleidEen werkgever mag bij de arbeid onderscheid maken op de gronden geslacht, ras en handicap/chronische ziekte door een voorkeursbeleid te voeren. Voorkeursbeleid is bedoeld om vrouwen, mensen van niet-Nederlandse afkomst en gehandicapten/chronisch zieken in een bevoorrechte positie te plaatsen om feitelijke achterstanden op te heffen of te verminderen.

Voorkeursbeleid moet aan vier criteria voldoen:

  1. De achterstand van de te bevoorrechten groep moet in het concrete geval aannemelijk worden gemaakt (de eis van aantoonbare achterstand).
  2. Bij de aanbieding van een functie moet duidelijk worden vermeld dat een voorkeursbeleid wordt gevoerd en dat de vacature voor iedereen open staat (hetkenbaarheidsvereiste).
  3. Er moet een objectieve beoordeling van alle kandidaten plaatsvinden, waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin ieder van de kandidaten aande functie-eisen voldoet. Benoeming van een kandidaat uit de voorkeursgroep kan alleen plaatsvinden bij gelijke geschiktheid van de kandidaat (het zorgvuldigheidsvereiste).
  4. De zwaarte van de voorkeursmaatregel moet kunnen worden gerechtvaardigd door de mate van achterstand (het evenredigheidsvereiste).

Voor meer informatie: zie dossier Voorkeursbeleid.

3. Bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de gehandicapte/chronische ziekeHet verbod van onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte geldt niet als dit onderscheid nodig is ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid.

4. Gevallen waarin ras, geslacht of nationaliteit bepalend isSituaties waarbij op grond van ras, geslacht of nationaliteit onderscheid mag worden gemaakt zijn naast bovengenoemde uitzonderingen limitatief opgenomen in het Besluit gelijke behandeling en het Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn.

5. Gevallen waarin ras of geslacht bepalend isEr zijn situaties denkbaar waarbij voor bepaalde functies een vrouw of iemand met een bepaalde huidskleur nodig is. Zo mag men op zoek gaan naar een gekleurde/zwarte acteur om de rol van Martin Luther King te spelen. In dit geval is huidskleur bepalend voor werving en levert het selecteren van iemand op basis van zijn huidskleur geen discriminatie op.

Ook kan onderscheid zijn toegestaan als het gaat om beroepen die vanwege hun aard juist door een man of juist door een vrouw moeten worden uitgeoefend. Zo mag een vrouw worden geworven voor de persoonlijke verzorging van personen die in een kleine woonvoorziening wonen.

Tevens mogen onder omstandigheden bepaalde diensten uitsluitend worden verleend aan mannen of vrouwen. Zo mag een man de toegang worden geweigerd tot een badhuis dat enkel toegang verleent aan vrouwelijke bezoekers.

6. Gevallen waarin nationaliteit bepalend isHet komt niet vaak voor dat de nationaliteit van een persoon bepalend is. Als het, op grond van een regeling of praktijk van een organisatie op het gebied van sport of spel, aan bijvoorbeeld Nederlanders is voorbehouden om deel te nemen aan wedstrijden ter vertegenwoordiging van Nederland dan mag men onder voorwaarden deelnemers selecteren op basis van hun nationaliteit.

7. Onderscheid op grond van nationaliteit gebaseerd op AVV internationaal rechtHet verbod van onderscheid op grond van nationaliteit geldt niet als het onderscheid is gebaseerd op algemeen verbindende voorschriften of op geschreven of ongeschreven regels van internationaal recht (bijvoorbeeld wetten en verdragen). 

8. Bescherming van de vrouwIn situaties waarbij bijvoorbeeld de gezondheid van de vrouw bescherming nodig heeft, mag onderscheid worden gemaakt. Het moet dan wel gaan om gevallen waarin in redelijkheid geen twijfel bestaat over de noodzaak. Hierbij kan gedacht worden aan de bescherming van de gezondheid van de vrouw en de geneeskundige behandeling of verzorging in verband met zwangerschap en moederschap waarbij voor een doelmatige bescherming, behandeling of verzorging onderscheid op grond van geslacht nodig is. 

9. Organisaties en scholen met een godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke grondslagEr zijn werkgevers die, vanwege hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke grondslag, personeel willen aannemen dat aansluit bij hun grondslag. Zo wil een katholieke school een leraar kunnen aannemen die de katholieke grondslag onderschrijft. Daarnaast willen scholen die een godsdienstige grondslag hebben, ook de mogelijkheid hebben om voorwaarden te stellen bij de toelating van leerlingen op hun school. Het gaat dan om scholen van bijzonder onderwijs. De openbare scholen hebben deze mogelijkheid niet. Voor bijzondere scholen geldt dat zij onderscheid mogen maken als dat nodig is om hun grondslag te verwezenlijken. Aan de hand van drie voorwaarden beoordeelt het College of er onderscheid mag worden gemaakt. Deze voorwaarden zijn:

  1. Het beleid van de instelling moet berusten op de grondslag en moet in de praktijk daadwerkelijk gestalte krijgen.
  2. Het beleid moet noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de grondslag.
  3. Het beleid moet consequent worden uitgevoerd en gehandhaafd.
  4. Pas als aan deze drie voorwaarden wordt voldaan, is discriminatie toegestaan.

10. Rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen en het geestelijk ambtDe AWGB is niet van toepassing op rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen en het geestelijk ambt. Zo is het College niet bevoegd om een oordeel te geven over het handelen van een opleidingsinstituut van een kerkgenootschap, dat een student weigert in te schrijven omdat hij voornemens is te gaan samenwonen.

11. Werkverhouding met een privékarakterHet verbod van onderscheid geldt, indien is voldaan aan bepaalde voorwaarden, niet indien de werkverhouding een privékarakter heeft. Hiervan zou sprake kunnen zijn in situaties van persoonlijke verzorging binnen de eigen huishouding door een privépersoon. 

12. Onderscheid op grond van politieke gezindheid i.v.m. de vervulling van vertrouwensfuncties en functies in bestuurs- en adviesorganenHet verbod van onderscheid op grond van politieke gezindheid geldt, onder voorwaarden, niet bij de vervulling van vertrouwensfuncties en functies in bestuurs- en adviesorganen.

13. Onderscheid op grond van burgerlijke staat bij nabestaandenpensioenvoorzieningenHet verbod van onderscheid op grond van burgerlijke staat geldt niet bij nabestaandenpensioenvoorzieningen. Zo geldt het verbod van onderscheid op grond vanburgerlijke staat niet indien een pensioenfonds weigert de partner van een deelnemer aan te merken als begunstigde van een partnerpensioen, omdat zij niet gehuwd zijn.