Dossier

Coronavirus en mensenrechten

Het is alweer ruim twee jaar geleden dat het coronavirus voor het eerst opdook in Nederland. Sindsdien heeft de regering vergaande maatregelen genomen om het virus in ons land te bestrijden. Dat betekende dat een aantal mensenrechten werden ingeperkt. Het einde lijkt nu in zicht: op 23 maart 2022 heeft de regering de laatste coronamaatregelen opgeheven.

De afgelopen twee jaar heeft het College alle ontwikkelingen op de voet gevolgd, de maatregelen getoetst op internationale mensenrechten en adviezen uitgebracht. Dit zal het College de komende tijd blijven doen. In dit dossier staan de meest relevante mensenrechtelijke vraagstukken die speelden rond de coronamaatregelen. 

1. Welke vrijheidsrechten waren in het geding?

Om het coronavirus uit te bannen, stond ieders dagelijks leven op zijn kop: we moesten allemaal zoveel mogelijk thuisblijven. Scholen, openbare gelegenheden, cafés, restaurants, kerken en moskeeën waren wekenlang (vrijwel) dicht of mochten alleen open onder allerlei beperkende voorwaarden. Er waren samenscholingsverboden uitgevaardigd en rechtszittingen zijn afgelast of uitgesteld; mensen met een beperking die in een zorginstelling wonen en mensen in verpleeghuizen mochten geen of slechts heel beperkt bezoek ontvangen. Mensen die met een corona-besmetting in het ziekenhuis werden opgenomen, kwamen in isolatie met beperkte mogelijkheid voor bezoek van hun naasten. Dat heeft enorme gevolgen voor heel veel mensenrechten en fundamentele vrijheden, zoals de vrijheid van vergadering en betoging, de bewegingsvrijheid, de godsdienstvrijheid, het recht op privéleven (dat ook het recht om sociale contacten te onderhouden omvat), het eigendomsrecht (bijvoorbeeld van de ondernemers die hun bedrijf moeten sluiten), de toegang tot de rechter en het recht op onderwijs. 

2. Mocht de regering zulke ingrijpende maatregelen treffen?

De mensenrechten laten behoorlijk wat ruimte aan de overheid om maatregelen te treffen ter bescherming van de volksgezondheid, ook als die een beperking van de vrijheid van burgers opleveren. Er zijn zelfs mensenrechtenbepalingen die juist van de overheid verlangen dat ze optreedt. Zo is de Nederlandse overheid verplicht om maatregelen te treffen ter bevordering van de volksgezondheid (art. 22 Grondwet). Zij moet epidemieën zoveel mogelijk voorkomen (art. 11 Europees Sociaal Handvest) en moet het recht op een zo goed mogelijke gezondheid van iedereen garanderen (art. 12 Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten). Om deze opdrachten uit te voeren werkt Nederland samen met de 193 andere lidstaten van de Wereld Gezondheidsorganisatie en sloot zij zich aan bij de Internationale Gezondheidsregeling (2005). Als er vrijheidsrechten worden ingeperkt om de gezondheid te beschermen, dan stellen allerlei mensenrechtenbepalingen ook weer grenzen aan die vrijheidsbeperkingen. Belangrijk is echter dat de rechten en vrijheden die in de afgelopen periode ingeperkt werden als gevolg van de coronamaatregelen geen absolute rechten zijn. Inperkingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld ook op het recht op lichamelijke integriteit of het huisrecht. 

3. Hoe ver mochten de vrijheidsbeperkingen gaan?

Er is dus een mensenrechtelijke opdracht voor de overheid om op te treden ter bescherming van de gezondheid, maar tegelijkertijd stellen de Grondwet en allerlei mensenrechtenverdragen ook grenzen aan de inbreuk op allerlei vrijheidsrechten die daarbij plaatsvindt. Bij alle bovengenoemde rechten en vrijheden geldt de bescherming van de volksgezondheid als legitiem doel om inbreuken te kunnen rechtvaardigen. Maar naast zo’n legitiem doel moet nog aan enkele andere eisen worden voldaan, wil een inbreuk echt gerechtvaardigd zijn: de eis van een wettelijke basis en de eis van evenredigheid (proportionaliteit).

Wettelijke basis

Een inbreuk op een vrijheidsrecht moet wettelijk geregeld zijn. Dat betekent dat er een voldoende duidelijke wettelijke basis voor de maatregelen moet zijn: mensen moeten kunnen weten wat ze wel en niet mogen. De regels moeten ook duidelijk zijn om willekeur bij handhaving te voorkomen. De Nederlandse Grondwet eist dat inperkingen van vrijheidsrechten worden geregeld in een wet die is vastgesteld door de regering en het parlement. Daarom was er in de eerste maanden van de coronacrisis veel discussie over de juridische vormgeving van de maatregelen. Tot 1 december 2020 waren veel van de getroffen maatregelen namelijk niet geregeld in een wet, maar in noodverordeningen op basis van de Gemeentewet. Deze noodverordeningen werden niet, zoals normaliter het geval is bij noodverordeningen, vastgesteld door de burgemeester, maar door de voorzitters van de 25 veiligheidsregio’s. Die voorzitters kregen daartoe dan weer de opdracht van de minister van VWS en de minister van J&V. Deze juridische constructie is geregeld in de Wet publieke gezondheid en de Wet op de veiligheidsregio’s. Het staatsrechtelijke en mensenrechtelijke probleem aan deze constructie was echter dat het parlement niet echt kon meebeslissen over de inhoud van de regels die in de noodverordeningen werden uitgevaardigd. Ter versterking van de controlerende rol van het parlement kwam de regering uiteindelijk met de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 ter vervanging van de noodverordeningen.

Niet verder inperken dan nodig

Vrijheidsbeperkende maatregelen om verspreiding van het virus tegen te gaan, zijn slechts gerechtvaardigd als er een dwingende maatschappelijke noodzaak is om deze maatregelen te treffen. Een andere eis waaraan vrijheidsbeperkende maatregelen moeten voldoen is dat zij in een evenredige verhouding moeten staan tot het nagestreefde doel. Dat noemen we de proportionaliteiteis: de maatregelen mogen niet verder gaan dan nodig is om het doel te bereiken. Daarnaast moeten de maatregelen voldoen aan de subsidiariteitseis: is er geen minder ingrijpende maatregel beschikbaar waarmee de volksgezondheid voldoende beschermd wordt? Met het oog op deze twee eisen wees de Raad van Europa alle 47 lidstaten er in een ‘Mensenrechten en covid-19’-toolkit op dat het van belang is om de vrijheidsbeperkende maatregelen in duur te beperken tot het moment waarop het besmettingsgevaar en het risico voor de volksgezondheid voldoende zijn ingedamd. Het spreekt voor zich dat deze eisen van proportionaliteit en subsidiariteit niet alleen relevant zijn op het moment dat besloten wordt om bepaalde vrijheidsbeperkende maatregelen in te voeren, maar ook bij de beslissing om (sommige van) die maatregelen weer op te heffen.

Afweging

Het College is regelmatig gevraagd of de in Nederland getroffen maatregelen voldeden aan de bovengenoemde eisen, met name aan de noodzakelijkheids- en proportionaliteitseis. Het is niet eenvoudig om die vraag te beantwoorden.

Wat betreft de dwingende maatschappelijke noodzaak voor de maatregelen constateert het College het volgende. Duidelijk is dat het coronavirus ernstige gezondheidsrisico’s voor een deel van de bevolking oplevert, niet alleen voor ouderen of mensen met een zwakkere gezondheid (al lopen die wel de grootste risico’s). Ook is helder dat er een noodzaak is om overbelasting van de ziekenhuiszorg zoveel mogelijk te voorkomen, omdat anders een situatie ontstaat waarin artsen moeten gaan beslissen wie te helpen en wie niet. Dan staan er mensenlevens op het spel.

In het kader van de dwingende maatschappelijke noodzaak is het verder relevant dat de maatregelen gebaseerd zijn op wetenschappelijke inzichten over wat wel en niet werkt om de verspreiding van het virus tegen te gaan. Het kan niet zo zijn dat de autoriteiten allerlei vrijheidsbeperkingen uitvaardigen die helemaal niet nuttig zijn om de virusverspreiding te beperken. Hierbij moet natuurlijk worden opgemerkt dat bij een pandemie als deze de wetenschappelijke inzichten zich telkens ontwikkelen. Om een voorbeeld te noemen: aanvankelijk dachten zowel de WHO als het RIVM dat het dragen van niet-medische mondmaskers weinig zou helpen om de virusverspreiding tegen te gaan, enige tijd later werd duidelijk dat dit toch nuttig zou kunnen zijn.

Het College heeft tot dusverre niet kunnen constateren dat er in Nederland maatregelen zijn uitgevaardigd die volstrekt niet onderbouwd waren. Er is bijvoorbeeld veel discussie geweest over het nut van het invoeren van de avondklok, het College heeft geconstateerd dat de wetenschappelijke inzichten die er waren over de toegevoegde waarde van een avondklok door de regering zijn gedeeld met de Tweede Kamer en dat die inzichten – die op dat moment nog redelijk beperkt waren – in ieder geval uitvoerig zijn betrokken bij de beslissing over de wet die de avondklok mogelijk zou maken.

Wat betreft de proportionaliteit van de coronamaatregelen doet zich het probleem voor dat het heel lastig is om de proportionaliteit van elke getroffen maatregel afzonderlijk te bepalen. Er werden verschillende maatregelen tegelijkertijd genomen en daarbij is niet altijd precies vast te stellen welk onderdeel van het maatregelpakket het meeste effect heeft op het indammen van de verspreiding van het virus. Een vraag als ‘Is het niet disproportioneel om de horeca te sluiten als bekend is dat de meeste besmettingen in de thuissituatie plaatsvinden?’ is niet zo eenvoudig te beantwoorden als het misschien lijkt. De mensen die het virus in de thuissituatie verspreidden hebben dat veelal toch weer ergens anders opgelopen (op het werk, tijdens uitgaan, enz.). Als het gaat om de proportionaliteit van coronamaatregelen moet bijvoorbeeld ook rekening gehouden worden met het gegeven dat het invoeren van een extra maatregel (bijvoorbeeld de avondklok) tot gevolg zou kunnen hebben dat andere vrijheidsbeperkende maatregelen (denk aan de sluiting van de horeca en de scholen) sneller opgeheven zouden kunnen worden. Bij de proportionaliteitsbeoordeling moet dus met heel veel verschillende factoren rekening worden gehouden.

4. Gingen de vrijheidsbeperkingen niet veel verder dan toegestaan volgens mensenrechtenverdragen?

In veel landen heeft tijdens de coronacrisis voor enige tijd een strenge ‘lockdown’ plaatsgevonden: een periode waarin mensen werd geboden zoveel mogelijk thuis te blijven en niet zo maar de straat op mocht. Gingen dergelijke vrijheidsbeperkingen niet veel te ver, of waren zij toch gerechtvaardigd omdat het om een noodsituatie ging?  Veel mensenrechtenverdragen staan staten toe om tijdelijk af te wijken van de verdragsverplichtingen als sprake is van een crisissituatie. Daar gelden wel strenge eisen voor, zowel inhoudelijk als procedureel. Deze staan onder meer in name artikel 15 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Nederland heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

De jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) laat staten vrij veel ruimte om zelf te beslissen of er sprake is van een crisissituatie die noopt tot het afwijken van de EVRM-verplichtingen. Het uitroepen van een formele noodtoestand is niet vereist. Afwijken van verplichtingen mag echter alleen tijdelijk zijn om een crisissituatie te boven te komen. En het mag niet zo zijn dat de noodmaatregelen of noodwetten resulteren in een carte blanche van de wetgever aan de regering. In Nederland zien we dat de Grondwet en andere wetten, zoals de Wpg, bepaalde grenzen stellen aan de maatregelen en soms ook rechterlijke toetsing van bepaalde (quarantaine)maatregelen mogelijk maken.

Het EHRM zal altijd kunnen toetsen of de situatie zo ernstig was dat de getroffen noodmaatregelen strikt vereist waren. Die toetsing door het EHRM vindt altijd pas achteraf plaats, eerst moeten dan nationale rechterlijke instanties een uitspraak daarover doen.  Van wat voor crisissituatie ook sprake is, van bepaalde rechten mag nooit worden afgeweken. Dat zijn bijvoorbeeld het recht op leven, het verbod van onmenselijke behandeling en het verbod van strafwetgeving met terugwerkende kracht.

Wat procedurele eisen betreft, bepaalt artikel 15 EVRM dat maatregelen die verder gaan dan een reguliere inperking van vrijheidsrechten worden aangemeld bij de Raad van Europa. Nederland heeft de maatregelen die zijn getroffen niet gemeld bij de Raad van Europa.

Het EHRM heeft inmiddels een uitspraak gedaan over de strenge lockdown die in Bulgarije gold. De klager in deze zaak betoogde dat de lockdown in Bulgarije zo weinig mogelijkheid gaf om het huis te verlaten, dat deze eigenlijk neerkwam op een soort van huisarrest en daarmee op een vorm van vrijheidsbeneming. Artikel 5 EVRM stelt strenge voorwaarden aan de toepassing van vrijheidsbeneming. Het EHRM oordeelde echter dat de lockdown in Bulgarije weliswaar streng was, maar nog zoveel mogelijkheden bood om de woning te verlaten om bijvoorbeeld boodschappen te doen, dat niet gesproken kon worden van vrijheidsbeneming in de zin van artikel 5 EVRM. Het EHRM zag de lockdown meer als een beperking van de bewegingsvrijheid van burgers, maar daar gelden minder strenge voorwaarden voor.

5. Functioneerden de rechtstatelijke controlemechanismen nog voldoende?

Het is in een rechtsstaat inderdaad van groot belang dat de volksvertegenwoordiging de uitoefening van bevoegdheden door de uitvoerende macht (de regering, lokale en regionale bestuurders) controleert. Dat was bij het vaststellen van de noodverordeningen door de voorzitters van de veiligheidsregio’s ingewikkeld. Normaliter moet een noodverordening na uitvaardiging door de burgemeester zo spoedig mogelijk worden goedgekeurd door de gemeenteraad. Maar bij de uitvaardiging van noodverordeningen door de voorzitters van de veiligheidsregio’s geldt die eis niet. Hier moest de controle dus vooral komen van de Tweede Kamer, die moest beoordelen of de manier waarop de ministers opdrachten gaven aan de veiligheidsregio’s wettelijk en rechtsstatelijk in de haak was. Ter versterking van de controlerende rol van het parlement kwam de regering, zoals boven al vermeld, met de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 ter vervanging van de noodverordeningen.

6. Wie was verantwoordelijk voor het coronabeleid in het Caribisch deel van het Koninkrijk?

Het recht op gezondheid uit het IVESCR en de Internationale Gezondheidsregeling gelden ook in Caribisch Nederland en de Koninkrijkslanden Aruba, St. Maarten en Curaçao. In Caribisch Nederland, de eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, is de Wet publieke gezondheid (grotendeels) op dezelfde manier van toepassing als in Europees Nederland. Het RIVM is dus ook werkzaam voor deze eilanden en ook de ministeriële opdrachten van art. 7 Wpg gelden er. Aruba, Curaçao en Sint Maarten zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de internationale verdragsverplichtingen. Wel geldt op basis van artikel 36 van het Statuut voor het Koninkrijk een verplichting voor Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten om elkaar hulp en bijstand te verlenen. Bovendien stelt artikel 43 lid 2 van het Statuut dat het waarborgen van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden een aangelegenheid is van het Koninkrijk (en dus niet alleen een verantwoordelijkheid is voor de afzonderlijke landsregeringen). Nederland spant zich dan ook in om op allerlei manieren de Caribische delen van het Koninkrijk te ondersteunen, van de inzet van marineschepen tot het invliegen van mobiele intensive care-units.

7. Welke andere mensenrechten waren in deze situatie van belang?

De Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN had een overzicht van alle mensenrechtelijke verplichtingen die relevant zijn voor staten bij het bestrijden van de coronacrisis gepubliceerd. En ook het EU-grondrechtenagentschap had een rapport gepubliceerd over alle mensenrechten die worden geraakt door de huidige situatie. Deze beide documenten maakten duidelijk dat dat de coronacrisis niet alleen vrijheidsrechten aantastte. Ook het recht op werk, het recht op gezondheid, het recht op huisvesting en het recht op onderwijs werden geraakt.

Bij de aantasting van deze rechten geldt voor de overheid een extra zorgplicht voor personen in een kwetsbare positie. Zo bracht het gedwongen thuisblijven en thuiswerken extra risico’s met zich mee op huiselijk geweld en moet de overheid zijn best doen om ervoor te zorgen dat de slachtoffers daarvan (vooral vrouwen) terecht kunnen bij hulpverlenende instanties. De toegankelijkheid van medische voorzieningen met betrekking tot het nieuwe coronavirus moet voor iedereen gelijk gewaarborgd zijn, conform het gelijkheidsbeginsel. Iemands afkomst, sociale status, financiële middelen, of leeftijd mag niet bepalend zijn voor de toegang tot medische zorg.

Toegankelijkheid is daarnaast één van de grondbeginselen genoemd in artikel 3 van het VN-verdrag handicap en is als recht opgenomen in artikel 9 van het verdrag. De overheid moet passende maatregelen nemen om toegankelijkheid van medische zorg en andere voorzieningen voor mensen met een beperking op voet van gelijkheid met anderen te garanderen. Daarbij gaat het ook om toegankelijkheid van informatie en communicatie over de corona-maatregelen van de overheid. Het inschakelen van gebarentolken bij belangrijke officiële mededelingen was dan ook een goede beslissing. Mensen met een visuele beperking geven aan dat zij vaak gebaat zijn bij audiodescriptie (iemand die beschrijft wat er gebeurt, dus ook voor de persconferentie: wie er plaatsnemen achter de microfoons, wanneer het gaat beginnen). 

Ook moet de overheid in de huidige nieuwe situatie alle nodige maatregelen nemen om de bescherming en veiligheid van mensen met een beperking te waarborgen (art. 11 VN-verdrag handicap). Ook na het loslaten van de coronamaatregelen blijft extra aandacht nodig voor deze groep mensen. In het algemeen is er een mensenrechtelijke verplichting om bij veiligheids- en gezondheidsrisico’s ervoor te zorgen dat niemand gedwongen verstoken blijft van hulp en zorg, ook groepen die minder makkelijk te bereiken zijn (denk aan: dak- en thuislozen, laaggeletterden, vreemdelingen die de Nederlandse taal niet goed beheersen, ouderen die minder handig zijn in het gebruik van digitale informatiekanalen).

In een bericht van het Europees Netwerk van Nationale Mensenrechteninstituten (ENNHRI) werd ten slotte aandacht gevestigd op de economische maatregelen die overheden treffen om de coronacrisis te boven te komen. Bij die economische maatregelen zou de realisatie van economische en sociale mensenrechten centraal moeten staan.

8. Welke mensenrechtelijke grenzen gelden bij het gebruik van de app CoronaMelder?

Het ministerie van VWS ontwikkelde de app CoronaMelder. De app waarschuwt je nadat je in de buurt bent geweest van iemand die besmet is met het coronavirus. Een belangrijke mensenrechtelijke en rechtsstatelijke grens bij het gebruik van dit soort apps is dat het recht op privéleven voldoende gewaarborgd wordt en dat er goede toezichtsmechanismen zijn om te bewaken dat de door die apps verzamelde gegevens op een verantwoorde manier worden geanalyseerd, gebruikt, opgeslagen en gedeeld met derden. Bij het delen van gezondheidsgegevens van individuen met anderen via de traceer-app is vooral van belang dat dit geanonimiseerd gebeurt. Vraag is of het altijd volledig realiseerbaar is om die anonimiteit te garanderen, maar veel experts vinden dat dit in de huidige app wel goed geregeld is. En daarmee is het dan ook de vraag of een eventuele verplichting tot het gebruiken van dergelijke apps dan proportioneel is en of de sociale implicaties ervan niet te ernstig zijn. Bovendien zal bij het opleggen van zo’n verplichting voldoende moeten zijn aangetoond dat het systeem daadwerkelijk geschikt is om voldoende bescherming tegen verspreiding van het virus te genereren om nieuwe uitbraken te voorkomen. De overheid verplicht mensen echter niet de CoronaMelder te gebruiken, ze dringt er slechts op aan om dat wel te doen omdat met gebruik van de app het informeren van personen die in contact zijn geweest met een besmet iemand enorm kan worden versneld. Dit vermindert de last in het bron- en contactonderzoek van de GGD’s. Het College bracht op 20 april 2020 een afzonderlijk advies over de randvoorwaarden voor het gebruik van corona-apps uit.

9. Welke mensenrechtelijke grenzen waren van toepassing op de mondkapjesplicht?

Om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, was het dragen van een niet-medisch mondkapje in onder andere winkels, musea, restaurants en theaters vanaf 1 december 2020 verplicht. Ook in het onderwijs (met uitzondering van de basisschool) moesten mensen een mondkapje gaan dragen. Voor contactberoepen gold de regel zowel voor de klant als de professional, zoals de kapper of de rijinstructeur. In het openbaar vervoer was een mondkapje al verplicht, maar dit werd ook het geval in stations en bij bus- en tramhaltes. De mondkapjesplicht gold voor iedereen van 13 jaar en ouder. De verplichting tot het dragen van een mondkapje geldt niet voor mensen die vanwege een beperking of ziekte geen mondkapje kunnen dragen of opzetten.

De mondkapjesplicht werd vastgelegd in een ministeriële regeling. Het College heeft in november 2020 geadviseerd over een conceptversie van de regeling. Het College kwam in dat advies tot de conclusie dat de mondkapjesplicht voldoende onderbouwd was om de toets op noodzakelijkheid en proportionaliteit te kunnen doorstaan.

10. Wat moet de overheid doen om armoede door corona te voorkomen en te bestrijden?

Het coronavirus heeft grote gevolgen voor de economie. Veel mensen hadden geen of minder inkomsten uit werk. Wat voor verplichtingen brengen mensenrechten mee voor de overheid om armoede te voorkomen en tegen te gaan?

Wat betekent armoede in termen van mensenrechten?

Het recht op een behoorlijke levensstandaard en bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting zijn fundamentele mensenrechten. Een langdurig tekort aan financiële middelen kan op zichzelf al problematisch zijn vanuit het oogpunt van de rechten van de mens. Het recht op een behoorlijke levensstandaard betekent dat er voldoende inkomensondersteuning moet zijn om armoede te voorkomen.

Armoede raakt ook aan andere mensenrechten, zoals het recht op gezondheid, huisvesting en onderwijs. Bij het vormgeven van de herstelmaatregelen en de maatregelen om de effecten van een eventuele economische crisis te dempen, is het dan ook belangrijk dat aan mensenrechten wordt getoetst.

Gelijkheid en non-discriminatie

Mensenrechten verplichten de overheid om mensen in de meest kwetsbare situaties te beschermen en ervoor te zorgen dat de economische gevolgen van de coronacrisis hen niet onevenredig zwaar treffen. Mensen voor wie de maatregelen grote economische gevolgen hebben zijn bijvoorbeeld mensen met een laag inkomen en mensen met onzekere en tijdelijke arbeidscontracten, zoals flexwerkers. Ook zullen mensen die al regelmatig te kampen hebben met discriminatie bij toegang tot werk nu extra problemen ondervinden, zoals vrouwen, mensen met een beperking, ouderen, mensen met een migratieachtergrond en arbeidsmigranten.

Om discriminatie en toenemende ongelijkheid te voorkomen, zou de overheid de gevolgen van de getroffen maatregelen moeten onderzoeken en blijven monitoren. Als bezuinigingen noodzakelijk zijn, mogen de meest kwetsbare mensen daardoor niet het hardst getroffen worden.

Participatie en empowerment

Cruciaal voor een effectieve bescherming van economische en sociale rechten is dat mensen tijdig en op alle fronten worden betrokken bij het maken, uitvoeren en monitoren van beleid. Dat vraagt van nationale en lokale overheden dat zij in een vroeg stadium nagaan wie mogelijk wordt geraakt door het beleid en hoe zij kunnen garanderen dat besluiten met hen en niet voor hen worden genomen. Extra inspanning om mensen te betrekken kan noodzakelijk zijn, omdat deelnemen aan de samenleving voor verschillende groepen mensen als gevolg van de beperkingen, maar ook door het wegvallen van de beperkingen, niet goed mogelijk is. Denk daarbij onder meer aan ouderen en mensen met een beperking. De verminderde zichtbaarheid mag niet tot gevolg hebben dat zij niet worden betrokken. Integendeel.

11. Coronavaccinatie en toegangsbewijs

Sinds januari 2021 biedt ook de Nederlandse overheid vaccinaties tegen covid-19 aan. Vaccinaties tegen het coronavirus zijn echter niet verplicht. Je mag dus zelf beslissen of je je laat inenten of niet. Is dat in overeenstemming met mensenrechten? 

Bij voorkeur vrijwillig

Het bekende Rijksvaccinatieprogramma (RVP) in Nederland biedt alle jonge kinderen inentingen tegen besmettelijke ziekten. Het aanbod is op basis van vrijwilligheid en heeft als doel het op peil houden van groepsbescherming. Jarenlang was dat succesvol, alleen de laatste jaren schommelde de vaccinatiegraad tegen mazelen richting grenswaarde van vaccinatiegraad 92-94%. Nederland kent geen vaccinatieplicht voor mazelen en andere ziekten. Omringende landen als België, Duitsland en Frankrijk hebben wel varianten daarvan ingevoerd. Op 21 april 2021 oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat kleuterscholen in Tsjechië niet-gevaccineerde kinderen mogen weigeren. Deze uitspraak betekent niet dat elk land nu een vrijbrief heeft om verplichte vaccinaties in te stellen. De legitimiteit moet per geval beoordeeld worden. Maar als de noodzaak en proportionaliteit van een verplichting tot vaccinatie voldoende kunnen worden aangetoond, is een dergelijke maatregel dus niet in strijd met de mensenrechten.

In Nederland is de overheid niet overgegaan tot een vaccinatieplicht. Het op basis van vrijwilligheid aanbieden van vaccinatie tegen covid-19 sluit dus aan bij het gangbare beleid in het RVP en zolang het lukt om op basis van die vrijwilligheid een voldoende dekkingsgraad aan vaccinaties te bereiken heeft dat vanuit het perspectief van de mensenrechten de sterke voorkeur. Dwang moet slechts worden toegepast als uiterste middel, want verplichte vaccinatie botst met het recht op onaantastbaarheid van het lichaam: het recht om autonoom, dus zelf, te bepalen over medische ingrepen (artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM); zie ook artikel 11 Grondwet en artikel 7:450 Burgerlijk Wetboek). Het weigeren van een vaccinatie kan bovendien ingegeven zijn door godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen en dan is ook de godsdienst- en gewetensvrijheid (artikel 9 EVRM, artikel 6 Grondwet) in het geding. Het feit dat deze grondrechten in het geding zijn betekent echter niet dat dwang dus onder alle omstandigheden is uitgesloten.

Drie wetsvoorstellen 

In november 2021 had de regering, naar aanleiding van de oplopende positieve coronatests, drie wetsvoorstellen ingediend bij de Tweede Kamer. Met deze wetsvoorstellen wilde de regering verschillende, passende maatregelen mogelijk maken om de verspreiding van het virus af te remmen. Het ging om een wetsvoorstel dat de invoer van een 2G-coronatoegangsbewijs – alleen voor gevaccineerde en genezen personen - mogelijk maakte in situaties waar het risico op besmettingen zeer hoog is. Daarnaast waren er twee wetsvoorstellen naar de Kamer gestuurd die het kabinet in staat zouden stellen coronatoegangsbewijzen verplicht te stellen op de werkvloer en in het middelbaar beroeps- en hoger onderwijs wanneer de epidemiologische situatie daarom vraagt. Lees hier het advies van het College over deze drie wetsvoorstellen. De regering heeft deze wetsvoorstellen inmiddels officieel ingetrokken.