De Nederlandse wet over discriminatie

In artikel 1 van de Nederlandse Grondwet staat dat iedereen die zich in Nederland bevindt in gelijke gevallen gelijk moet worden behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, mag niet. Daarnaast zijn er specifieke wetten die onze gelijkheid beschermen.

Gelijkebehandelingswetgeving

Artikel 1 richt zich in de eerste plaats tot de overheid. Maar discriminatie tussen burgers onderling is ook verboden. Beide is geregeld in de volgende gelijkebehandelingswetten:

  • Wet College voor de Rechten van de Mens
  • Algemene wet gelijke behandeling
  • Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte
  • Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd
  • Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
  • Wet onderscheid arbeidsduur
  • Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd

Wet College voor de Rechten van de Mens

Op 1 oktober 2012 is de Wet College voor de Rechten van de Mens (Wcrm) in werking getreden. Bij deze wet is het College voor de Rechten van de Mens opgericht. In de wet zijn de taken, bevoegdheden, samenstelling en werkwijze van het College vastgelegd. Ook staan in de wet bepalingen die betrekking hebben op de overgang van de Commissie Gelijke Behandeling naar het College voor de Rechten van de Mens. Het College doet uitspraken over discriminatie en houdt in Nederland toezicht op mensenrechten. 

Algemene wet gelijke behandeling

De Algemene wet gelijke behandeling (Awbg) biedt bescherming aan mensen die gediscrimineerd worden op grond van:

  • godsdienst/levensovertuiging
  • politieke gezindheid
  • ras, afkomst
  • geslacht: man, vrouw, transgender (transseksuelen, travestieten, intersekse personen)
  • zwangerschap
  • nationaliteit
  • hetero- of homoseksuele gerichtheid (biseksuele gerichtheid)
  • burgerlijke staat: gehuwd of ongehuwd, wel of geen geregistreerd partnerschap

Je kunt alleen bescherming van de Awgb inroepen als het gaat om discriminatie op de volgende terreinen:

  • Arbeid;
    Bijvoorbeeld in de bejegening op het werk, bij de werving en selectie, bemiddeling, ontslag, arbeidsvoorwaarden en promotie. Dit geldt onder meer voor werknemers, sollicitanten, vrijwilligers, uitzendkrachten, oproepkrachten en stagiaires.
  • Goederen en diensten;
    Bijvoorbeeld op gebied van wonen, welzijn, gezondheidszorg, cultuur, onderwijs, financiële dienstverlening, verzekeringsdiensten, winkelen, sporten en uitgaan. Dit geldt onder meer voor consumenten, patiënten, studenten, scholieren en leerlingen.
  • Het vrije beroep;
    Bijvoorbeeld freelancers en zelfstandig ondernemers, zoals makelaars, artsen en architecten.
  • Lidmaatschap vakbond of vereniging van beroepsgenoten 
  • Sociale bescherming;
    Bijvoorbeeld bij uitkeringen of studiefinanciering. Dit geldt voor personen die vinden dat onderscheid is gemaakt op grond van ras bij de sociale bescherming.

Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte

De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) biedt bescherming aan mensen die gediscrimineerd worden op grond van een handicap of een chronische ziekte. De wet verplicht - indien hierom is verzocht - om doeltreffende aanpassingen te verrichten voor personen met een handicap of chronische ziekte. Tenzij deze aanpassingen een onevenredige belasting vormen. Alle langdurige lichamelijke, verstandelijke en psychische beperkingen vallen onder deze wet. Je kunt alleen een beroep doen op deze wet als er sprake is van discriminatie op de volgende terreinen:

  • Arbeid;
    Bijvoorbeeld in de bejegening op het werk, bij de werving en selectie, bemiddeling, ontslag, arbeidsvoorwaarden en promotie. Dit geldt onder meer voor werknemers, sollicitanten, vrijwilligers, uitzendkrachten, oproepkrachten en stagiaires.
  • Het vrije beroep;
    Bijvoorbeeld freelancers en zelfstandig ondernemers, zoals makelaars, artsen en architecten.
  • Lidmaatschap vakbond of vereniging van beroepsgenoten;
  • Beroepsonderwijs;
    Bijvoorbeeld in het praktijkonderwijs, mbo-, hbo- en universitaire opleidingen. Dit geldt onder meer voor leerlingen, scholieren en studenten.
  • Basis- en voortgezet onderwijs;
    Dit geldt voor scholieren en leerlingen. 
  • Wonen;
    Dit geldt bijvoorbeeld voor huurders en kopers. Bouwkundige of woontechnische aanpassingen vallen niet onder de wet.
  • Openbaar vervoer;
    Dit geldt onder meer voor trein-, bus- en metroreizigers.
  • Goederen en diensten;
    Bijvoorbeeld op gebied van wonen, welzijn, gezondheidszorg, cultuur, onderwijs, financiële dienstverlening, verzekeringsdiensten, winkelen, sporten en uitgaan. Dit geldt onder meer voor bijvoorbeeld consumenten en patiënten.

Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid

De Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (Wgbl) biedt bescherming aan mensen die gediscrimineerd worden vanwege hun leeftijd. Bijvoorbeeld omdat zij te jong of juist te oud zijn. Je kunt alleen een beroep doen op deze wet als er sprake is van discriminatie op de volgende terreinen:

  • Arbeid;
    Bijvoorbeeld in de bejegening op het werk, bij de werving en selectie, bemiddeling, ontslag, arbeidsvoorwaarden en promotie. Dit geldt onder meer voor werknemers, sollicitanten, vrijwilligers, uitzendkrachten, oproepkrachten en stagiaires.
  • Het vrije beroep; 
    Bijvoorbeeld freelancers en zelfstandig ondernemers, zoals makelaars, artsen en architecten.
  • Lidmaatschap vakbond of vereniging van beroepsgenoten;
  • Beroepsonderwijs;
    Bijvoorbeeld in het praktijkonderwijs, mbo-, hbo- en universitaire opleidingen. Dit geldt onder meer voor leerlingen, scholieren en studenten.

Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen

De Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Wgb) behandelt het verschil in behandeling tussen mannen en vrouwen op het werk. Een werkgever mag niet discrimineren bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst, bij de arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden, de bevordering en het ontslag. Zowel mannelijke als vrouwelijke werknemers kunnen zich beroepen op deze wet. Bijvoorbeeld als een werkgever je mannelijke collega meer verdient dan jij, terwijl je hetzelfde werk doet.

Wet onderscheid arbeidsduur

De Wet onderscheid arbeidsduur (Woa) verbiedt een verschil in behandeling tussen mensen die in deeltijd en mensen die fulltime werken. Tenzij hiervoor een goede reden is, oftewel een 'objectieve rechtvaardiging'. Zowel als voltijd- of deeltijdwerknemer kun je een beroep doen op deze wet. Je kunt een beroep doen op deze wet als er sprake is van ongelijke behandeling bij de voorwaarden waaronder een arbeidscontract wordt aangegaan, voortgezet of beëindigd.

Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd

De Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd (Wobot) verbiedt een verschil in behandeling tussen werknemers met een vast arbeidscontract en werknemers met een tijdelijk arbeidscontact. Tenzij hiervoor een goede reden is, oftewel een 'objectieve rechtvaardiging'. Je kunt een beroep doen op deze wet als je werkgever je bij de arbeidsvoorwaarden anders behandelt dan andere werknemers. 

Wanneer mag er wel onderscheid worden gemaakt?

In sommige gevallen kan er een uitzondering worden gemaakt en mag wel onderscheid worden gemaakt. Deze uitzonderingen zijn binnen de hier genoemde wetten opgenomen. Als het College wordt gevraagd een oordeel te geven over ongelijke behandeling, dan toetsen wij of er inderdaad sprake is van een uitzonderingssituatie.

Objectieve rechtvaardiging

Werkgevers kunnen direct en indirect onderscheid maken. Direct onderscheid is onderscheid op een van de discriminatiegronden. Denk aan afkomst, geslacht, huidskleur, seksuele voorkeur, leeftijd, religie, handicap of chronische ziekte. Dit is verboden, tenzij de wet een uitzondering maakt. Direct onderscheid door leeftijd, arbeidsduur en soort contract (vast of tijdelijk contract) is bijvoorbeeld toegestaan als er een goede reden voor is. Dit noemen we een objectieve rechtvaardiging. Ook indirect onderscheid kan toegestaan zijn als daarvoor een goede reden aanwezig is. 

Om te controleren of een werkgever een goede reden heeft, maakt het College gebruik van de objectieve rechtvaardigingstoets. Op hoofdlijnen stellen we dan twee vragen:

  1. Waarom wordt het onderscheid gemaakt oftewel wat is het doel?
  2. Waarom wordt er op deze manier onderscheid gemaakt oftewel wat is het middel?

Is het onderscheid 'objectief gerechtvaardigd'? Dan is er geen sprake van discriminatie.

Voorkeursbeleid

Een werkgever mag bij de werving en selectie een voorkeursbeleid voeren voor vrouwen, mensen van niet-Nederlandse afkomst en mensen met een handicap of chronische ziekte. Het maken van onderscheid is dan toegestaan. Voorkeursbeleid is bedoeld om feitelijke achterstanden van deze groepen op te heffen of te verminderen. Voorkeursbeleid moet wel aan vier criteria voldoen:

  1. De achterstand van de te bevoorrechten groep moet in het concrete geval aannemelijk worden gemaakt (de eis van aantoonbare achterstand).
  2. Bij de aanbieding van een functie moet duidelijk worden vermeld dat een voorkeursbeleid wordt gevoerd en dat de vacature voor iedereen open staat (herkenbaarheidsvereiste).
  3. Er moet een objectieve beoordeling van alle kandidaten plaatsvinden. Hierbij wordt rekening gehouden met de mate waarin ieder van de kandidaten aan de functie-eisen voldoet. Benoeming van een kandidaat uit de voorkeursgroep kan alleen plaatsvinden bij gelijke geschiktheid van de kandidaat (het zorgvuldigheidsvereiste).
  4. De zwaarte van de voorkeursmaatregel moet kunnen worden gerechtvaardigd door de mate van achterstand (het evenredigheidsvereiste).

Bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de gehandicapte/chronische zieke

Het verbod van onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte geldt niet als dit onderscheid nodig is om de veiligheid en de gezondheid te beschermen. Dit wordt dan als een uitzondering gezien.

Gevallen waarin ras, geslacht of nationaliteit bepalend is 

Situaties waarbij op grond van ras, geslacht of nationaliteit onderscheid mag worden gemaakt, zijn naast bovengenoemde uitzonderingen beperkt opgenomen in het Besluit gelijke behandeling en het Besluit beroepsactiviteiten.

Gevallen waarin ras of geslacht bepalend is

Er zijn situaties denkbaar waarbij voor bepaalde functies een vrouw of iemand met bepaalde afkomst nodig is.

Bijvoorbeeld: Je mag op zoek gaan naar een gekleurde/ zwarte acteur om de rol van Martin Luther King te spelen. In dat geval is huidskleur bepalend voor werving en levert het selecteren van iemand op basis van zijn huidskleur geen discriminatie op.

Daarnaast kan onderscheid zijn toegestaan als het gaat om beroepen die vanwege hun aard juist door een man of juist door een vrouw moeten worden uitgeoefend. Zo mag een werkgever een vrouw werven voor de persoonlijke verzorging van personen die in een kleine woonvoorziening wonen. Onder omstandigheden mogen bepaalde diensten ook uitsluitend worden verleend aan mannen of vrouwen. Zo mag een man de toegang worden geweigerd tot een badhuis dat enkel toegang verleent aan vrouwelijke bezoekers.

Gevallen waarin nationaliteit bepalend is

Het komt niet vaak voor dat de nationaliteit van een persoon bepalend is. Het kan bijvoorbeeld zijn dat het op grond van een regeling of praktijk van een organisatie op het gebied van sport of spel alleen aan Nederlanders is voorbehouden om deel te nemen aan wedstrijden ter vertegenwoordiging van Nederland. In dat geval mag men onder voorwaarden deelnemers selecteren op basis van hun nationaliteit.

Het verbod van onderscheid op grond van nationaliteit geldt niet als het onderscheid is gebaseerd op algemeen verbindende voorschriften (AVV) of op geschreven of ongeschreven regels van internationaal recht (bijvoorbeeld wetten en verdragen). 

Bescherming van de vrouw

In situaties waarbij bijvoorbeeld de gezondheid van de vrouw bescherming nodig heeft, mag onderscheid worden gemaakt. Het moet dan wel gaan om gevallen waarin geen twijfel bestaat over de noodzaak om het onderscheid te maken. Je kunt denken aan de bescherming van de gezondheid van de vrouw en de geneeskundige behandeling of verzorging in verband met zwangerschap en moederschap. 

Organisaties en scholen met een godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke grondslag

Er zijn werkgevers die vanwege hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke grondslag, personeel willen aannemen dat aansluit bij hun grondslag. Zo wil een katholieke school een leraar kunnen aannemen die de katholieke grondslag onderschrijft. Daarnaast willen scholen die een godsdienstige grondslag hebben, ook de mogelijkheid hebben om voorwaarden te stellen bij de toelating van leerlingen op hun school. Het gaat dan om scholen van bijzonder onderwijs. De openbare scholen hebben deze mogelijkheid niet. Voor bijzondere scholen geldt dat zij onderscheid mogen maken als dat nodig is om hun grondslag te verwezenlijken. Ze moeten dan aan alle drie van de onderstaande voorwaarden voldoen:

  • Het beleid van de instelling moet berusten op de grondslag en moet in de praktijk daadwerkelijk gestalte krijgen.
  • Het beleid moet noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de grondslag.
  • Het beleid moet consequent worden uitgevoerd en gehandhaafd.

Rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen en het geestelijk ambt

De gelijkebehandelingswetten zijn niet van toepassing op rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen en het geestelijk ambt. Het College is bijvoorbeeld niet bevoegd  om een oordeel te geven over het handelen van een opleidingsinstituut van een kerkgenootschap dat een student weigert in te schrijven omdat hij wil gaan samenwonen.

Werkverhouding met een privékarakter

Als aan bepaalde voorwaarden is voldaan, geldt het verbod van onderscheid niet als de werkverhouding een privékarakter heeft. Hiervan zou sprake kunnen zijn in situaties van persoonlijke verzorging binnen de eigen huishouding door een privépersoon. 

Onderscheid op grond van politieke gezindheid

Onder voorwaarden geldt het verbod van onderscheid op grond van politieke gezindheid niet bij de vervulling van vertrouwensfuncties en functies in bestuurs- en adviesorganen.

Onderscheid op grond van burgerlijke staat bij nabestaandenpensioenvoorzieningen

Het verbod van onderscheid op grond van burgerlijke staat geldt niet bij nabestaandenpensioenvoorzieningen. Bijvoorbeeld als een pensioenfonds de partner van een deelnemer weigert aan te merken als begunstigde van een partnerpensioen, omdat zij niet gehuwd zijn.



Wil je iets kwijt over dit onderwerp?