Publicaties

Speech Laurien Koster tijdens symposium aan de Erasmus Universiteit Rotterdam

Samenvatting

Pluriformiteit en gelijke behandeling

 

Professor Huisman, Dames en heren,

 

Het is mij een genoegen, maar vooral een eer op dit symposium het woord te voeren. Vandaag staat het recht op pluriform onderwijs centraal. Professor Huisman motiveerde zijn verzoek aan mij om hierover te spreken met een verwijzing naar de positie die de Commissie Gelijke Behandeling in het debat over pluriformiteit in het onderwijs, door haar oordelen en haar adviezen, kortom haar positie in de praktijk van het onderwijs. De Commissie rekent het zich ook tot taak op belangrijke thema’s stof voor het maatschappelijk debat aan te reiken. Ik hoop daar vandaag een bijdrage aan te leveren.

 

Het begrip Pluriformiteit heeft in de context van artikel 23 grondwet een andere connotatie dan in de Algemene Wet gelijke Behandeling, de AWGB. Grondwettelijk gaat het natuurlijk allereerst om de garantie op geestelijk neutraal onderwijs en daardoor ruimte voor verscheidenheid in opvatting en identiteit binnen het verband van de school. Daarnaast staat de grondwettelijke garantie om het bijzonder onderwijs conform de eigen opvattingen en identiteit vorm te kunnen geven. Artikel 23 GW verankert dus binnen het onderwijs de vrijheden van burgers hun eigen opvattingen, levensbeschouwingen te ontwikkelen en uit te dragen, als neerslag van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst. Fundamentele rechten verankerd in grondwet en mensenrechtenverdragen. Daaraan onlosmakelijke verbonden en zo u wilt de keerzijde van deze vrijheden is dat in het bijzonder onderwijs anderen kunnen worden uitgesloten. Zodat in eigen kring het tegendeel van pluriformiteit ontstaat. De pluriformiteit bestaat dan nog wel in het kunnen voorkomen van vele vormen van eenzijdigheid. De islamitische school, de katholieke school en de protestants-christelijke school in allerhande gradaties.

 

Het begrip pluriformiteit in de AWGB is van een andere orde. Allereerst speelt een en ander zich af op een ander speelveld, binnen andere verhoudingen. Met artikel 1 grondwet als opmaat vestigt de AWGB rechten tussen burgers op toegang en participatie op belangrijke maatschappelijke terreinen als arbeid, goederen en diensten, en onderwijs. Daaraan ligt ook niet de keuzevrijheid ten grondslag die de resultante is van artikel 23 Grondwet veeleer het ontbreken van keuzes. De noodzaak om de bescherming van de AWGB in te roepen doet zich immers voor wanneer men vanwege kenmerken die men niet kan afleggen buiten spel wordt gezet. Ras, geslacht, seksuele gerichtheid, handicap en chronische ziekte, leeftijd je kiest het niet. Pluriformiteit is dan de resultante van de toegang die de AWGB aan mensen biedt.

 

Op welke wijze komen deze zaken op het pad van de Commissie Gelijke Behandeling?

Ik neem u mee op een wandeling door de praktijk. De grootste dilemma’s en aandachtspunten komen wij dan vanzelf tegen. Ter voorbereiding van deze toespraak keek ik terug in de uitspraken van de CGB tot 1 januari 2010. Van de 76 oordelen, die de CGB in 2011 tot op heden uitsprak hadden er 14 betrekking op het onderwijs. In 2010, waren dat er 30 op de 193. Het gaat daarbij overigens zowel om verzoeken van onderwijsdeelnemers als personeelsleden.

Opvallend is dat van alle oordelen in 2010 en 2011 er slechts enkele betrekking hebben op ras/afkomst en alle overige op onderscheid op grond van religie en handicap of chronische ziekte. En alle religiezaken hadden betrekking op islamitische geloofsuitingen. In gedachten moet overigens gehouden worden dat onderscheid op grond van islamitisch geloof of geloofsuiting een samenval kent met afkomst en – wanneer de hoofddoek in het spel is – ook met geslacht. Daarvan wordt dan overigens meestal geen expliciete issue gemaakt. Anders dan in de politieke arena is onderscheid naar seksuele gerichtheid binnen het onderwijs bij de CGB de grote afwezige, althans in verzoeken om een oordeel. Natuurlijk is van algemene bekendheid dat de kwestie wel speelt binnen een deel van het bijzonder onderwijs. Als ik u meeneem door de praktijk van de CGB moeten we het dus hebben over religie en handicap/chronische ziekte. Dit zijn de twee gronden waarop mensen emancipatie zoeken en botsen met bestaande standaarden en opvattingen. Scholen staan hierbij – uiteraard – in de frontlinie, ook door hun socialisatiefunctie. Dat betekent overigens niet dat binnen het onderwijs discriminatie naar ras/afkomst geen issue zou zijn.

In het grote onderzoek uit eigen beweging dat de Commissie in 2008 en 2009 deed bij met name een specifieke opleiding van de Haagse Hogeschool naar aard en omvang van discriminatie op grond van etnische afkomst werd vrij omvangrijke discriminatie gevonden. Belangrijk waren de bevindingen, die de context van de Haagsche Hogeschool overstijgen. Bevindingen die dan ook in andere discriminatiezaken herkenbaar worden. Ze zijn te belangrijk om hier niet kort enkele te noemen:

  • Mechanismen in de samenleving hebben hun weerslag op verhoudingen in de school:

  • alle betrokkenen ervaren de negatieve doorwerking van de verscherping van posities en bewustzijn rond etniciteit en religie in het maatschappelijk debat;

  • het taboe op discriminatie in Nederland vertaalt zich in bepaalde reactiepatronen als de term discriminatie valt.Ontkenning, verkeerd begrepen, bagatellisering. Dat maakt zowel adequate behandeling als ontspannen omgaan met het onderwerp of discriminatie-ervaringen bespreekbaar maken lastig.  

  • Diversiteit vraagt diversiteitsmanagement; pluriformiteit van opvattingen en culturen gaat niet vanzelf goed

  • Diversiteitsmanagement kan ook gevraagd worden van de schoolleiding, vanuit de wettelijke zorgplicht voor een discriminatievrije werk- en leeromgeving


Uit de follow-up van dit onderzoek blijkt dat in de workshops voor docenten met name die zorgplicht voor de discriminatie leeromgeving docenten aanspreekt en motiveert in houding en beleid tegenover studenten.

 

Dan kom ik toch tot de twee hoofdstromen in het zaakspakket in relatie tot onderwijs: religie en handicap/chronische ziekte. De verplichting van de school jegens de leerling/student met een beperking en de verplichtingen om zich te onthouden van discriminatie op grond van geloof hebben gemeen dat het in beide gevallen om een discriminatieverbod gaat. Maar verder is er – vooral in de praktijk – sprake van een verschillend afwegingskader en andersoortige verplichtingen voor zowel onderwijsinstelling als leerling.

 

De Wet H/Cz, nu ruim 6 jaar van kracht, is de neerslag van wereldwijd groeiende opvattingen dat de individuele mens gezien moet worden in zijn vermogen tot functioneren, niet in zijn beperkingen.

 

Waar, als gezegd bij de grond religie alle zaken in 2010 en 2011 over islamitische geloofsuitingen gingen – weinig pluriformiteit wat dat betreft – legt de mens met een beperking, die zaken in vele soorten en maten. En dat is een deel van de problematiek, denk ik. Scholen blijken nog onvoldoende voorbereid op de mate waarin leerlingen toegang vragen. Maar hier geldt evenzeer als bij de Haagse Hogeschool: onbewust of niet slecht bedoeld discrimineren komt even hard aan.

 

De zorgplicht voor de leerling zal ook hier scholen aanspreken, maar het is moeilijk ad hoc met deze problematiek om te gaan. Juist de grote verscheidenheid aan mogelijke beperkingen en dientengevolge te onderzoeken aanpassingsmogelijkheden noopt onderwijsinstellingen tot ontwikkeling van beleid. Beleid dat ziet op de omgang met leerlingen met een beperking en de procedure omtrent het verzoek om een doeltreffende aanpassing. En dat alles ook bekend te maken. En toegekende aanpassingen duidelijk naar de medewerkers te communiceren en bij voorkeur vast te leggen.

In de gelijke behandeling wordt van de normadressaat altijd gevraagd uit zijn comfort zone te treden, afstand te doen van eerste, vaak stereotype reacties. Dat geldt ook voor het onderzoek naar mogelijke aanpassingen voor jonge mensen die binnengesloten willen worden met ook meer pluriformiteit als opbrengst.

 

Religie

Met de uitingen van godsdienst en levensovertuiging raken mensen elkaar en treedt de noodzaak tot beheersing van de daarbij vrijkomende wrijvingswarmte op. De oplossingen die daarvoor in het openbare onderwijs getroffen worden zijn wettelijk van een andere orde dan in het bijzonder onderwijs. In het openbaar onderwijs is per definitie ruimte voor pluriformiteit van gedachtegoed en daarmee ook voor daarbij behorende uitingen. In 1999 al oordeelde de CGB dat als een stagiaire een hoofddoek draagt op een openbare school, dit niet uitsluit dat zij een open instelling heeft en in staat is onderwijs te geven in overeenstemming met het karakter van de school.

Dit geldt a fortiori voor leerlingen; de school heeft hun geloof of levensovertuigingen of vrijheid van meningsuiting met uiting en al te accepteren. Toch blijken in de praktijk zich tal van gevallen van kledij of gedrag en omgangsvormen voor te doen, waarmee scholen niet voetstoots akkoord gaan.   

Uiteraard is in de loop der jaren de lijn in de oordelen van de Commissie uitgekristalliseerd. Zulke voorschriften van scholen, die rechtstreeks gericht zijn tegen de religieuze betekenis of connotatie van kleding, gedrag of uiterlijk maken direct onderscheid naar geloof. De wet laat geen rechtvaardiging van direct onderscheid toe.

Zulke voorschriften kunnen ook indirect onderscheid opleveren indien zij tot effect hebben dat zij groepen die bepaalde kleding dragen of gedragsnormen in acht nemen, in het bijzonder treffen. Een voorbeeld daarvan is het voorschrift handen te schudden als begroeting. Dit kan joodse of islamitische gelovigen, die fysiek contact met het ander geslacht afwijzen bijzonder treffen. Dit vergt valide redenen om het onderscheidmakende te rechtvaardigen, waarbij legitimiteit van het doel, en de geschiktheid en noodzakelijkheid van het voorschrift gewogen worden. Dat vergt uiteraard ook waardering van de diverse betrokken belangen waaronder prominent de rechten van anderen.

Instellingen voor openbaar onderwijs maken met dergelijke verboden en beperkende voorschriften al snel wettelijk verboden onderscheid. Zij moeten immers juist alle geloven en overtuigingen eerbiedigen. Instellingen voor bijzonder onderwijs kunnen deze regels onder bepaalde omstandigheden rechtvaardigen met een beroep op hun grondslag.

In hapklare brokken moet de school het volgende kunnen laten zien:

  • Dit is mijn grondslag

  • Dat betekent het in de praktijk

  • Zo heb ik grondslag en consequenties bekend gemaakt

  • Zo houd ik leerlingen en ouders daar aan

  • En daarom past die geloofsuiting daar niet bij

 

Een instelling van bijzonder onderwijs op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag bepaalt zelf haar grondslag en haar doel. De Commissie heeft niet tot taak grondslag en doel of de betekenis ervan voor het stellen ven bepaalde eisen te beoordelen. Beoordeeld moet worden of het bevoegd gezag in redelijkheid heeft kunnen beslissen zoals zij heeft gedaan (kamerstukken). De Commissie hanteert derhalve een marginale toets, maar het is aan de onderwijsinstelling om aan te tonen dat zij een consistent beleid voert gericht op het handhaven van haar identiteit.

 

Tot zover de lijn, maar hoe ziet dat er nu uit in de praktijk. Ik noem u een zaak, waarin een bijzondere school met een beroep op haar grondslag het dragen van een hoofddoek mocht verbieden. De leerlingen van deze school hoefden niet van katholieke signatuur te zijn, maar zij moesten wel de grondslag van de school te onderschrijven. Aan de ouders werd bij aanmelding gevraagd of zij de identiteit en visie van de school onderschrijven en respecteren; zij ondertekenen een schoolleercontract. Hiervan was een leerlingenstatuut onderdeel, waarin was opgenomen dat kleding die geassocieerd kon worden met een niet katholieke overtuiging, niet was toegestaan binnen het schoolgebouw. Een leerlinge ging in haar eindexamenjaar een hoofddoek dragen vanwege haar islamitisch geloof. De school besloot dat de leerlinge haar hoofddoek buiten de lessen, in de mediatheek en in de aula mocht dragen. Het meisje wilde de hoofddoek echter altijd, dus ook in de lessen dragen.

De Commissie oordeelde dat verweerster direct onderscheid maakte door het hanteren van het verbod op het dragen van kledingstukken, die geassocieerd konden worden met een niet-katholieke overtuiging. Maar de school kon een geslaagd beroep doen op de wettelijke uitzondering. Dat niet alle scholen die het bevoegd gezag in stand hield dezelfde eisen hanteerden, maakte dit niet anders. Hierin heeft het bevoegd gezag een zekere vrijheid. Dit zou anders zijn als op de betreffende school onduidelijk inconsequent en inconsistent zou zijn gehandeld.

 

Dat brengt ons onvermijdelijk bij de zaak, die bekend is geworden als de Volendam-zaak. De zaak is onder de rechter, hetgeen in Nederland leidt tot terughoudendheid erover te spreken. De Commissie kan uiteraard altijd haar eigen oordeel uit de doeken doen. Ook in Volendam was sprake van een meisje dat een hoofddoek wilde gaan dragen. De school vroeg haar te wachten tot het bestuur daarover een beslissing had genomen. Zij paste het schoolreglement aan door het verbod op hoofddeksels uit te breiden met hoofddoek. Toen het meisje na de zomer een hoofddoek ging dragen werd haar de toegang tot de lessen ontzegd onder verwijzing naar de kleding regel.

De Commissie heeft vastgesteld dat de school niet kenbaar had gemaakt dat de kledingregel verband hield met de grondslag. Het was ook geen algemeen verbod op kleding of attributen die uiting geven aan een andere religie dan de katholieke. De school communiceerde dat de hoofddoek alleen opgenomen was om één lijn te trekken met mutsen en petjes. Pas na doorvragen op de zitting zei de school dat de hoofddoekverbod was ingesteld ter verwezenlijking van de grondslag. Dat alles vond de Commissie geen consistent beleid ter handhaving van de grondslag. Dit oordeel kreeg pas brede aandacht toen vervolgens de rechter in deze zaak anders oordeelde.

 

Het rechterlijk oordeel heeft echter terstond aanleiding gegeven tot een spoed algemeen overleg van de kamer ministers Donner en Van Bijsterveldt over de gevolgen van die uitspraak voor segregatie in het onderwijs. Met alle terughoudendheid waarmee de kamer dit debat wilde voeren zijn toch heel wat vragen en dilemma’s rond pluriform onderwijs naar voren gebracht

 

Ik heb een kleine bloemlezing gemaakt. U mag zelf bedenken van wie de tekst afkomstig is:

  • Als het dragen van een hoofddoek voor een groot deel van de scholen een reden is om leerlingen de toegang te ontzeggen, kan dat de segregatie in het onderwijs versterken.

  • Tot nu toe gold dat 5 % van de scholen, die streng religieus zijn en dat hebben verankerd, de ruimte heeft om zo’n maatregel te treffen. Het is voor het CDA denkbaar dat alle bijzondere scholen in Nederland zo’n maatregel kunnen nemen.

  • (Jasper van DIJN, SP) De kwestie van de Don Boscoschool plaatst de discussie in een nieuw licht. Dit is namelijk een gewone katholieke school, waarvan er duizenden zijn. Tweederde van die 7000 scholen is in naam een bijzondere school. Stel dat zij het voorbeeld van de Don Bosco school volgen. Er moet nog eens goed naar artikel 23 Grondwet gekeken worden (…). Anders gaan we terug naar de verzuiling.

  • (Sterk, CDA) Mochten we volgend jaar constateren dat 60% van het bijzonder onderwijs inderdaad op deze manier vorm gaat geven aan dat artikel, dan houden we een nieuw debat. Ik constateer dat een aantal scholen wel vindt dat het botst met hun grondslag. Dat moet kunnen. Als het de norm gaat worden, dan hebben we een andere discussie.

  • Beertema(PVV) Voor alle duidelijkheid, want er zitten nogal wat cultuurrelativisme in dit huis, de hoofddoek is geen modestatement van zelfbewuste meiden die hun eigen keuze maken. Het is een waardeoordeel ten opzichte van de meiden en vrouwen die het niet willen en niet hoeven.

  • (Dijkgraaf, SGP) Volgens mij moet het gaan over de vraag of de voorlopige uitspraak van de rechter over het hoofddoekverbod impact heeft op hoe wij aankijken tegen de vrijheid van onderwijs. Als ik de woorden van alle woordvoerders op een rijtje zet, zeg ik nee, we hebben nog heel veel discussie te gaan over tal van onderwerpen, zoals de acceptatieplicht, de interpretatie van artikel 23, de verhouding tussen Kerk en Staat en de relatie daarvan met onderwijs (…) Het verbijstert ons dat aan de ene kant wordt gezegd dat het prettig is dat scholen een zo open mogelijk beleid hebben, maar dat ze aan de andere kant acuut worden afgestraft als ze een open beleid hebben en een bepaalde beslissing nemen. De flexibiliteit gaat zo uit het systeem. We moeten niet bij de minste of geringste beslissing daaraan grote consequenties verbinden voor het systeem.

  • Donner: De uitspraak van de rechter heeft niets te maken met het huidige debat, maar met de vraag wanneer is consistent consistent? De rechter constateert dat je om consistent te zijn, je ooit moet beginnen met consistent zijn. Er is dus nu een eerste keer. Dat is de substantie voor de uitspraak die er nu ligt. Voor het overige is er geen wijziging ten opzichte van de uitspraken tot nu toe. Men moet geen consequenties bedenken op grond van een geval. Jede consequenz fuhrt zum teufel.

 

Wat ik u met name niet wil onthouden zijn de volgende filosoferende woorden:

“De positie van de school en de positie van het meisje zijn beide respectabel. Het is niet gek om voor je overtuiging uit te komen, alleen zoals dat meisje of in georganiseerd verband zoals de school. Andere mensen of scholen hadden in dezelfde positie misschien andere, maar even respectabele keuzes gemaakt. Iemand anders had het hoofddoekje afgelegd of een andere school had het hoofddoekje toegelaten. Beide gebeurt frequent, maar niet deze leerling en deze school. Ook dat verdient respect en leidt tot een botsing. De redenering van de rechter is dat de school een besluit heeft genomen waar je blij mee kunt zijn of dat je kunt betreuren. Het is in ieder geval een besluit dat zo met de identiteitsgebonden instelling samenhangt dat het primair is aan een identiteitsgebonden school. Hebben we hiermee een nieuwe vorm van een hoofddoekjesbeleid in Nederland gevestigd? Nee, het is aan andere scholen om tot andere afwegingen te komen en aan andere meisjes om daar anders mee om te gaan.”

 

Wat hier gezegd wordt komt erop neer dat beide beslissingen – toestaan of verbieden – even gerechtvaardigd kunnen zijn. Maar hoe dan te oordelen bij een botsing, wat is dan het kader?  Moet er inderdaad een zodanig primaat bij de bijzondere school dat zij altijd beide kanten uit kan. Zitten die 7000 bijzondere scholen allemaal in dezelfde positie dat ze beide kanten uit kunnen? Gedogen zij dan allemaal alleen maar de leerling van andere signatuur en staat het hen op ieder moment vrij de deur voor sommige leerlingen te sluiten? Wordt dit pas een probleem wanneer veel meer scholen dat gaan doen en zo ja, wat is dan de theoretische oorzaak van dit probleem? Iets in de termen van: hee, niemand laat meer hoofddoeken toe, nu begint het op discriminatie en uitsluiting van een groep te lijken. Hoe moet de CGB of de rechter dan de beslissing van een school beoordelen? Gaan de eisen van consequent en consistent omgaan met de grondslag op de schop? En noemen we het dan willekeur of verzuiling met als consequentie dat degene die uitgesloten wordt maar zijn eigen onderwijs moet inrichten.

Juristen hebben ook zo hun geloof en het mijne is dat in een rechtsstaat duidelijkheid moet bestaan onder welke omstandigheden je iemand op grond van een persoonskenmerk uit mag sluiten van zoiets fundamenteels als onderwijs, zeker wanneer die persoon al deelnemer is.

De rechtspraak biedt tot nu toe het duidelijke kader dat ik u zojuist voorhield.

Blijft dat de feiten van het concrete geval altijd weer opnieuw gewaardeerd moeten worden en dat in die waardering verschillen kunnen optreden tussen CGB en rechter, maar ook in opvolgende stadia van een rechtsgang. Ook dat zijn de checks and balances van een rechtstaat.

Er ligt ruimte bij de scholen zelf.

Maar naarmate de school meer een open karakter heeft gekregen en meer leerlingen van verschillende signatuur aanwezig zijn zou een school zich ook de vraag kunnen stellen: Verschilt dat islamitische meisje door het gaan dragen van een hoofddoek zodanig van het meisje dat zonder hoofddoek bij ons op school startte dat onze grondslag ter discussie komt?

Ik zou zeggen, geen vraag voor een juridisch afwegingskader en dus ook geen vraag die de CGB beantwoordt. Maar wel een vraag die samenhangt met inkleuring van de verantwoordelijkheid van scholen in een steeds pluriformere samenleving. En waarover zij het gesprek met de ouders, de leerlingen en met elkaar zouden kunnen aangaan. Dat moet mogelijk zijn zonder dat het fundamentele recht van ouders om hun kind in hun eigen levensbeschouwelijke sfeer te laten school gaan wankelt.

 

Dilemma’s zullen er blijven. Ik schets tot slot de zaak, waarin de CGB op 9 mei jl. een oordeel gaf. Tegen de stichting Quo Vadis. Quo Vadis is het bevoegd gezag van 20 scholen voor basis- en speciaal onderwijs, waarvan 13 een interconfessioneel, vier een protestants-christelijke en 13 een katholiek denominatie hebben, in totaal 500 leerkrachten.

De verzoekster in deze zaak, laten we haar Aisha noemen, is moslima, maar zij heeft aan de katholieke Pabo de opleiding tot leraar in het katholiek primair onderwijs gevolgd en ook nog een akte godsdienst/levensbeschouwing voor leraar katholiek primair onderwijs behaald. Zij heeft haar stages vooral op katholieke basisscholen gelopen, waarvan de laatste 4 maanden op een katholieke basisschool van Quo Vadis tot grote tevredenheid van de betreffende school. Het is juist daar dat men haar heeft aangeraden te solliciteren.

Aisha wordt afgewezen op grond van haar eigen islamitische overtuiging als zij bij de digipool van Quo Vadis als oproepleerkracht solliciteert, kort gezegd met een beroep op de grondslag. De statuten van Quo Vadis laten aan duidelijkheid niets te wensen over. Er staat dus een stevige grondslag. De CGB komt toch tot het oordeel dat Quo Vadis verboden onderscheid jegens Aisha maakt omdat is gebleken dat zij in de praktijk niet steeds consequent omgaat met de benoeming van leerkrachten en met de check op hun christelijke geloofsovertuiging.

Het dilemma is zichtbaar. De grondslag is zeer duidelijk omschreven, maar de praktijk is een smal pad, waarvan de afdwalingen consequenties hebben. Als die maatstaf niet zou bestaan, en afdwalingen dus zonder consequenties zouden blijven, dan zou dat de afwijzing van deze katholiek voorbeeldige islamitische lerares Aisha arbitrair en dus verdacht maken. Dus resteert een gestrengheid, die flexibiliteit niet toelaat. En dan komt weer Donners uitspraak in beeld: Jede Konsequenz fuhrt zum Teufel. Tweederde van de basisscholen hebben een bijzondere – lees christelijke – grondslag , maar dat geldt niet voor de Nederlandse bevolking. Waar gaat het naar toe?

Het is niet aan rechter of de CGB daarin voorop te lopen. De naam van deze zaak is symbolisch. Quo Vadis? Waarheen gaat gij? Terug naar de pluriformiteit van 1917, die de nieuwkomers naar onderwijs in eigen kring wijst of naar een meer verlichte vorm pluriformiteit, die toch recht doet aan het recht om onderwijs conform de eigen overtuiging te genieten. Een ding is zeker, de plicht tot een verantwoording van keuzes blijft.