Oordelen

Reed Business B.V. maakt geen verboden onderscheid op grond van politieke gezindheid door een man geen toegang meer te geven tot het forum van de website van Elsevier. De redactionele vrijheid van Reed Business B.V. gaat voor. Doorwerking artikel 10 EVRM.

Oordeelnummer 2011-69
28-04-2011

Volledig oordeel

 

Oordeel

2011-69

 

 

 

 

 

Datum: 28 april 2011

Dossiernummer: 2009-0185

 

Oordeel in de zaak van

. . . .

wonende te. . . . . , verzoeker

tegen

Reed Business B.V.

gevestigd te Amsterdam, verweerster

 

 

1 Procesverloop

 

1.1 Bij verzoekschrift van 19 mei 2009, dat op dezelfde dag is ontvangen, heeft verzoeker de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, gevraagd te onderzoeken of verweerster jegens hem verboden onderscheid op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt door reeds geplaatste reacties van hem op het internetforum van verweerster te verwijderen en hem vervolgens te weigeren reacties op het internetforum te plaatsen.

 

1.2 Daarna zijn de volgende stukken gewisseld:

  • e-mail van verzoeker van 7 juni 2009;

  • e-mail van verzoeker van 20 juni 2009;

  • e-mail van verzoeker van 5 juli 2009;

  • brief van verzoeker, ontvangen op 12 augustus 2009;

  • brief van verzoeker van 14 oktober 2009;

  • brief van verweerster van 9 november 2009;

  • e-mail van verzoeker van 29 december 2009;

  • e-mail van verzoeker van 8 april 2010.

 

1.3 De Commissie heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2010, waar verzoeker en verweerster, vertegenwoordigd door. . . ., hoofdredacteur en. . . . , hoofd juridische zaken, bijgestaan door mr. J. van den Brink, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

 

1.4 Na de zitting zijn vervolgens de volgende stukken gewisseld:

  • brief van de Commissie aan partijen van 14 december 2010;

  • brief van verzoeker van 15 december 2010;

  • brief van verweerster van 20 december 2010;

  • e-mail van verweerster van 31 december 2010;

  • e-mail van verzoeker van 17 januari 2011.

 

1.5 Op 21 februari 2011 is de behandeling van de zaak gesloten.

 

 

2 Feiten

 

2.1 Verzoeker is een privépersoon die zijn politieke gezindheid omschrijft als D66-achtig. Verweerster is een onderneming die zich bezighoudt met de exploitatie en uitgifte van informatie in brede zin. Hieronder valt de uitgifte van het opinieweekblad Elsevier. Tevens valt hieronder het onderhouden van de website van Elsevier. Op deze website staan onder meer artikelen en commentaren.

 

2.2 De website van Elsevier heeft ook een internetforum. Dit forum is te vinden onder ‘opinie’ en vervolgens ‘reacties’. Bezoekers van de website hebben de mogelijkheid om op het internetforum reacties te plaatsen op door verweerster gepubliceerde artikelen. Bezoekers die dit willen, moeten zich eenmalig registreren; verweerster geeft hen vervolgens een account. Hiermee kunnen de bezoekers inloggen om een reactie te plaatsen op het forum. Bezoekers mogen niet op elkaars reacties reageren. Het is wel mogelijk om een reactie van een andere bezoeker te waarderen door aan de reactie sterren toe te kennen.

 

2.3 Verzoeker heeft zich geregistreerd voor het internetforum van Elsevier. Hij heeft vervolgens enkele keren op het internetforum een reactie geplaatst. Verweerster heeft voorafgaand aan de maand mei 2009 alle reacties van verzoeker verwijderd.

 

2.4 Verzoeker heeft in mei 2009, naar aanleiding van een artikel over een lerares die vanwege haar geloof mannen geen hand meer wilde geven, een reactie geplaatst op het internetforum. Deze reactie luidt: “De core business van de lerares is lesgeven, ze is niet aangesteld om handen te schudden. De lerares gaf prima les, maar het schoolbestuur wilde liever niet als moslimvriendelijk te boek staan in een klimaat dat hoe langer hoe vijandiger wordt. Voor je het weet ben je een enge linkse multiculturalist en krijg je alle rechtse media met verweerster voorop over je heen. Dat kost je je goeie naam en leerlingen. Het schoolbestuur greep dus een onnozel feit aan om de lerares de laan uit te sturen. Handen geven is een plichtpleging waar men in het botte Nederland nooit moeilijk over doet. Behalve dan als het om een moslim gaat. Ultra orthodoxe Joden geven ook geen hand, maar was deze lerares Joods geweest en ontslagen, dan was de uitspraak van de rechter als regelrecht antisemitisme in de hoek gezet.”

 

2.5 Vanaf eind mei 2009 weigert verweerster verzoeker de toegang tot het internetforum van Elsevier. Verzoeker kan vanaf die tijd niet meer inloggen en geen reacties meer plaatsen op het internetforum.

 

2.6 Op de website van verweerster staat: “Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. U dient zich te houden aan de wettelijke regels en de algemene fatsoensnormen. U reageert op het artikel, niet op elkaar. Daarnaast zijn er zaken die Elsevier liever niet ziet en die reden kunnen zijn om maatregelen te nemen en uw account uiteindelijk definitief te blokkeren. Als u wordt geblokkeerd, hebt u pech. Smeekbedes noch scheldpartijen helpen.” Als voorbeelden van uitlatingen die in strijd worden geacht met wettelijke regels of fatsoensnormen noemt verweerster op haar website: “Racistische uitlatingen, provocaties, nietszeggende reacties, herhalingen en incorrect taalgebruik”.

 

2.7 Onder het kopje ‘Blokkeren’ meldt verweerster: “Als de inhoud van een reactie naar het oordeel van de webredactie ontoelaatbaar is, wordt deze reactie of al uw reacties door de webredactie verwijderd. Als dit herhaaldelijk gebeurt, kan de redactie besluiten uw account te blokkeren zodat u niet meer kunt reageren.”

 

 

3 Beoordeling van het verzoek

 

3.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerster jegens verzoeker verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van politieke gezindheid door zijn reacties van het internetforum van verweerster te verwijderen en hem niet langer toegang tot dat internetforum te verlenen om reacties te plaatsen.

 

Wettelijk kader AWGB

 

3.2 Artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 AWGB, verbiedt het maken van onderscheid op grond van politieke gezindheid bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot diensten, onder meer indien dit geschiedt in de uitoefening van een bedrijf.

 

3.3 Onder het begrip politieke gezindheid moet worden verstaan een politieke overtuiging. Deze overtuiging kan, zoals blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de AWGB en de Grondwet, worden afgeleid uit uitingen, lidmaatschappen en andere gegevens (Kamerstukken II 1991/92, 22 014, nr. 5, p. 71 en Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr. 7, p. 19). Het begrip politieke overtuiging duidt op een gemeenschappelijke opvatting omtrent de bestuurlijke en sociale inrichting van de samenleving. Deze opvatting dient te kunnen worden afgeleid uit een bepaald handelen of nalaten van een persoon (Zie: CGB 4 februari 1997, 1997-15 en CGB 9 juli 2002, 2002-84). Ook het toedichten van een politieke overtuiging valt volgens de Hoge Raad onder deze grond (HR 26 februari 1993, NJ 1993, 507).

 

Bevoegdheid Commissie

 

3.4 De Commissie zal eerst beoordelen of zij bevoegd is de voorliggende rechtsvraag te beoordelen. Hiervoor moet zij de vraag beantwoorden of het verwijderen van reacties en het (niet langer) verlenen van toegang tot het internetforum door verweerster onder het bereik van artikel 7 AWGB valt.

 

3.5 De gelijkebehandelingswetgeving beoogt uitsluiting tegen te gaan op de belangrijke terreinen van het maatschappelijk leven. Gezien de strekking van deze wetgeving acht de Commissie een ruime uitleg van het begrip 'goederen en diensten' zoals bedoeld in artikel 7 AWGB aangewezen. Artikel 7 AWGB bevat geen beperkingen met betrekking tot de aard van de aan te bieden goederen of diensten, dan wel de ter zake te sluiten overeenkomsten. Het verbod van onderscheid beslaat uiteenlopende terreinen van het maatschappelijk leven en kan derhalve op zeer verschillende situaties van toepassing zijn (Kamerstukken II, 1990-1991, 22014, nr. 3, p. 20.).

 

3.6 De Commissie heeft eerder geoordeeld dat een instelling die bezoekers van haar website de mogelijkheid bood om op haar website reacties te plaatsen en aan discussies deel te nemen, de toegang tot een dienst aanbood in de zin van artikel 7 AWGB (CGB 21 april 2006, 2006-76, r.o. 3.3). De activiteiten van verweerster in de onderhavige zaak lijken sterk op de activiteiten van de verweerder in die eerdere zaak. Verweerster biedt bezoekers weliswaar niet de mogelijkheid om met elkaar in discussie te gaan, maar zij biedt bezoekers wel de mogelijkheid om op het internetforum te reageren op artikelen en om een reactie van een andere bezoeker te waarderen. Bij het verwijderen van reacties en het (niet langer) verlenen van toegang tot het internetforum door verweerster is derhalve sprake van het weigeren van de toegang tot een dienst als bedoeld in artikel 7 AWGB. Nu verweerster een onderneming is die zich onder meer bezighoudt met de exploitatie van de website van het opinieweekblad Elsevier, geschiedt dit aanbod in de uitoefening van een bedrijf als bedoeld in dat artikel.

 

3.7 De Commissie is dan ook van oordeel dat het handelen van verweerster onder het bereik van artikel 7 AWGB valt, zodat de Commissie bevoegd is de voorgelegde rechtsvraag te beoordelen.

 

Onderscheid op grond van politieke gezindheid?

 

3.8 De Commissie zal thans beoordelen of verweerster jegens verzoeker onderscheid op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt door reacties van hem van het internetforum te verwijderen en hem niet langer toegang te verlenen tot het internetforum.

 

3.9 Verzoeker stelt dat verweerster jegens hem onderscheid op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt. Hij heeft dit als volgt toegelicht. Verweerster verbindt aan deelname aan het internetforum de voorwaarde dat de deelnemer zich houdt aan wettelijke regels en de algemene fatsoensnormen. Verzoeker kan zich vinden in die voorwaarden en houdt zich daaraan. Toch zijn zijn reacties verwijderd en is hem de verdere toegang geweigerd. Dit kan alleen te maken hebben gehad met de politieke kleur van zijn reacties, aldus verzoeker. Verzoekers politieke gezindheid is D’66. Verzoeker stelt dat hij op het internetforum van verweerster reacties heeft geplaatst die omschreven kunnen worden als D’66-achtig. Verzoeker verwijst hierbij naar zijn onder 2.4 weergegeven reactie over een docente die vanwege haar geloof mannen geen hand wilde geven. Verzoeker stelt dat zijn reacties afwijken van het gros van de reacties op het forum die een rechtse signatuur hebben. Verzoeker wil hier graag een weerwoord op geven. Verzoeker meent dat verweerster onderscheid maakt op grond van politieke gezindheid door bezoekers met een rechtse mening wel gelegenheid te bieden hun mening te uiten, doch die mogelijkheid aan verzoeker, vanwege de politieke kleur van zijn reacties, te onthouden. Verzoeker geeft aan dat hij contact heeft gezocht met verweerster over de reden van de verwijdering van zijn reacties en de omstandigheid dat hij niet langer toegang had tot het internetforum. Verzoeker heeft hierop geen reactie gekregen.

 

3.10 Verweerster heeft te kennen gegeven dat zij om principiële redenen geen verweer voert op het individuele niveau van de zaak. Zij erkent dat zij reacties van verzoeker heeft verwijderd en hem niet langer de toegang heeft verleend tot het internetforum. Verweerster heeft de redenen hiervoor niet willen noemen. Verweerster wil niet ingaan op de vraag of de politieke kleur van de reacties van verzoeker daarin een rol heeft gespeeld. Verweerster stelt zich op het standpunt dat zij een persorgaan is dat, gelet op de persvrijheid, gerechtigd is om reacties te verwijderen en bezoekers de toegang tot haar internetforum te ontzeggen. Dit geldt ook als haar handelen verband zou houden met de politieke kleur van een reactie, aldus verweerster.

 

3.11 Verweerster benadrukt dat zij dit recht ontleent aan artikel 10 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en aan artikel 7 Grondwet (GW). Hierin is de persvrijheid neergelegd. Verweerster meent dat aan de persvrijheid elke betekenis zou worden ontnomen wanneer media, zoals dit onderdeel van verweerster, verplicht zouden zijn om alle politieke kleuren op haar website te accepteren. Daarmee ontvalt het bestaansrecht van de media, die immers te rangschikken zijn naar kleur.

 

3.12 Op grond van de verklaringen van partijen overweegt de Commissie als volgt. Vast staat dat verzoeker reacties heeft geplaatst op het internetforum van verweerster. Eveneens staat vast dat verweerster reacties van verzoeker heeft verwijderd en dat verweerster hem de toegang tot het internetforum heeft geweigerd. Verweerster is niet ingegaan op de vraag of haar handelen ingegeven is geweest door de politieke kleur van verzoekers reacties. Verweerster heeft er welbewust voor gekozen om geen verweer te voeren op het individuele niveau van de zaak. Hiermee heeft verweerster een procesrisico op zich genomen. Nu verzoekers stellingen omtrent de redenen van zijn weigering niet zijn betwist en ook niet op voorhand onaannemelijk zijn, neemt de Commissie deze als vaststaand aan. Op grond daarvan stelt de Commissie vast dat verweerster verzoeker de toegang tot het internetforum heeft ontzegd vanwege de politieke kleur van zijn reacties. De Commissie oordeelt dan ook dat verweerster jegens verzoeker direct onderscheid op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt.

 

3.13 Verweerster heeft aangevoerd dat het verbod van onderscheid op grond van politieke gezindheid buiten toepassing moet blijven, omdat de persvrijheid, als onderdeel van de vrijheid van meningsuiting die is vastgelegd in artikel 10 EVRM en artikel 7 GW, voorgaat.

 

3.14 De Commissie overweegt dat zij niet bevoegd is de AWGB te toetsen aan de Grondwet. Hierna zal de Commissie nagaan of zij kan toetsen aan artikel 10 EVRM.

 

Doorwerking artikel 10 EVRM in de Nederlandse rechtsorde

 

3.15 Voordat de Commissie toe kan komen aan een beoordeling van het beroep van verweerster op artikel 10 EVRM, zal zij nagaan of artikel 10 EVRM doorwerkt in de nationale rechtsorde en of daarop in een procedure bij de Commissie een beroep kan worden gedaan.

 

3.16 De Commissie overweegt dat artikel 10 EVRM een norm is die in de Nederlandse rechtsorde als een ieder verbindende bepaling wordt beschouwd (zie bijvoorbeeld HR 18 januari 2008, LJN: BB3210). Artikel 94 GW bepaalt dat binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepaling van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organen.

 

3.17 De vraag is of de norm van artikel 94 GW zich ook richt tot de Commissie. In de literatuur is hierover opgemerkt dat op grond van de redactie van artikel 94 GW moet worden aangenomen dat naast de rechter ook bestuursorganen verplicht zijn nationale voorschriften bij onverenigbaarheid met een ieder verbindende verdragsbepalingen buiten toepassing te laten (M.G. Boekhorst (1992), commentaar ad artt. 92, 93 en 94 Grondwet, in: Akkermans/Koekkoek, De Grondwet, Zwolle, pp. 855-887). Dit wordt bevestigd door Kummeling die daarbij wijst op de plaatsing van artikel 94 GW in hoofdstuk 5 van de Grondwet met de titel wetgeving en bestuur. Blijkens de grondwetsgeschiedenis is de bepaling ook gericht tot bestuursorganen, hoewel de primaire functie van artikel 94 GW is het stellen van een grens aan de bevoegdheid van de rechter (H.R.B.M. Kummeling (1995), Internationaal recht in de Nederlandse rechtsorde, in: De Grondwet als voorwerp van aanhoudende zorg, Zwolle, pp. 369-385).

 

3.18 De Commissie overweegt dat in het algemeen de plicht geldt voor overheidsorganen om verdragen na te leven en toe te passen. Mede gelet op hetgeen hierover in de literatuur is opgemerkt, is de Commissie van oordeel dat zij als onafhankelijk overheidsorgaan gehouden is om artikel 94 GW toe te passen en dus nationale voorschriften buiten toepassing dient te laten bij onverenigbaarheid met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Dit betekent dat de Commissie bij de beantwoording van de vraag of in een voorliggend geval verboden onderscheid is gemaakt, een beroep op strijd met een ieder verbindende verdragsbepalingen niet buiten beschouwing kan laten. De Commissie zal derhalve beoordelen of de toepassing van het verbod van onderscheid op grond van politieke overtuiging zoals neergelegd in de AWGB, in de onderhavige casus al dan niet verenigbaar is met artikel 10 EVRM. Als dat niet het geval is, blijft het verbod van onderscheid zoals geformuleerd in de AWGB gelet op artikel 94 GW buiten toepassing.

 

Beroep op persvrijheid: artikel 10 EVRM

 

3.19 Verweerster meent dat het verbod van onderscheid op grond van politieke gezindheid buiten toepassing moet blijven, omdat de persvrijheid, als onderdeel van de vrijheid van meningsuiting die is vastgelegd in artikel 10 EVRM, voorgaat. Zij heeft haar beroep op artikel 10 EVRM als volgt onderbouwd.

 

3.20 Het internetforum maakt onlosmakelijk deel uit van het weekblad Elsevier en is daarmee onderdeel van een persorgaan. De redactionele onafhankelijkheid van persorganen is één van de fundamenten van de persvrijheid. Deze vrijheid omvat mede de vrijheid van redacties om politieke kleur te kiezen en daarmee een eigen identiteit te creëren en in stand te houden. Reacties van derden kunnen een negatief effect hebben op die identiteit en mogen dan ook worden geweigerd.

 

3.21 Het is aldus verweerster vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat de uitingsvrijheid één van de pijlers is van de democratische samenleving en dat de pers daarbij de vitale rol van publieke waakhond speelt. Verweerster stelt voorts dat een pluriforme pers één van de bestaansvoorwaarden voor een democratische samenleving is. Een voorwaarde voor die pluriformiteit is de redactionele vrijheid voor de media om zelf te bepalen welk geluid ze laten horen. Zo omvat de redactionele vrijheid de keuze om reacties van lezers op internet of ingezonden brieven al dan niet te plaatsen, zonder dat de redactie dit hoeft te verantwoorden of te motiveren.

 

3.22 Verweerster brengt naar voren dat niet is voldaan aan de vereisten die het tweede lid van artikel 10 EVRM stelt aan een beperking van de uitingsvrijheid van persorganen. Die beperking moet zijn voorzien bij wet, noodzakelijk zijn in een democratische samenleving en in verband staan met één van de in de in het tweede lid genoemde belangen, waaronder de bescherming van rechten van anderen. Verweerster stelt dat er geen sprake is van een noodzakelijke inperking omdat onze democratische samenleving een onuitputtelijke hoeveelheid mogelijkheden biedt aan een ieder om zijn/haar politieke voorkeur uit te dragen. Dat geldt zeker op internet. Er zijn discussiefora en sociale netwerken beschikbaar voor elke denkbare politieke voorkeur. Iemand die voor zijn stemgeluid (nog) geen plek vindt, kan eenvoudig zelf een plek op internet creëren door een eigen weblog te starten, aldus verweerster.

 

3.23 Concluderend stelt verweerster dat het verbod van onderscheid op grond van politieke gezindheid buiten toepassing moet blijven, gelet op haar persvrijheid die wordt gewaarborgd door artikel 10 EVRM.

 

Beoordeling beroep op persvrijheid

 

3.24 Artikel 10, eerste lid, EVRM luidt: “Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.” Artikel 10, tweede lid, EVRM luidt: “Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”

 

3.25 De Commissie overweegt dat het in de onderhavige zaak gaat om de vraag of het verbod van onderscheid op grond van politieke gezindheid in de AWGB buiten toepassing moet blijven gelet op verweersters persvrijheid. Deze vrijheid wordt gewaarborgd door artikel 10 EVRM en de vraag is of verweerster op grond daarvan de vrijheid heeft reacties van verzoeker van haar internetforum te verwijderen en verzoeker de toegang tot dit forum te weigeren vanwege zijn politieke gezindheid.

 

3.26 Onder de vrijheid van meningsuiting van artikel 10 EVRM valt de persvrijheid (EHRM 24 juni 2004, Caroline von Hannover vs Duitsland, LJN: AQ6531). De persvrijheid van artikel 10 EVRM is primair gericht op verticale verhoudingen. Ingevolge artikel 10, tweede lid, EVRM kan een beperking van deze vrijheid van overheidswege gerechtvaardigd zijn, als is voldaan aan drie voorwaarden. In de eerste plaats moet de beperking een basis hebben in het nationale recht. De beperking moet in de tweede plaats één van de in artikel 10, tweede lid, EVRM genoemde doeleinden dienen. Tenslotte moet de beperking ter bereiking van het doel in een democratische samenleving noodzakelijk zijn (zie onder meer: EHRM, 6 mei 2003, Appleby vs Verenigd Koninkrijk, r.o. 47, LJN: AP0909, EHRM 24 juni 2004, Caroline von Hannover vs Duitsland, LJN: AQ6531).

 

3.27 Uit de Nederlandse rechtspraak volgt dat ook in horizontale verhoudingen een beroep op de persvrijheid zoals gewaarborgd in artikel 10 EVRM kan worden gedaan. De aan de Nederlandse rechter voorgelegde zaken in dit verband betreffen met name geschillen tussen een particulier en een persorgaan, waarbij eerstgenoemde de bescherming inroept van eer en goede naam, de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer dan wel het recht op privacy (Zie onder meer: HR 6 januari 1995, Van G. vs Het Parool, NJ 1995, 422, Rb Amsterdam 27 januari 2005, X vs Het Parool, LJN: AS4629 en Rechtbank Amsterdam, 28 februari 2011, Partij voor de dieren vs Nederlandse Omroep Stichting (NOS), LJN: BP612100). In laatstgenoemde zaak wilde de Partij voor de dieren worden toegelaten tot een door de NOS georganiseerd verkiezingsdebat. Onder verwijzing naar artikel 10 EVRM besliste de rechtbank dat de NOS daartoe niet gehouden was.

 

3.28 De Commissie is van oordeel dat in de onderhavige zaak het recht om beschermd te worden tegen discriminatie op grond van politieke overtuiging, zoals gewaarborgd in de AWGB, tegenover de persvrijheid staat. Daarmee is in ieder geval voldaan aan twee van de drie vereisten die zijn gesteld aan een inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting, te weten dat de beperking zijn basis heeft in het nationale recht en tot doel heeft om rechten van anderen te beschermen, in dit geval het recht om niet gediscrimineerd te worden. Het komt er derhalve in de onderhavige zaak op aan of ook is voldaan aan de derde voorwaarde, te weten dat de beperking ter bereiking van voormeld doel in een democratische samenleving noodzakelijk is.

 

3.29 De Commissie overweegt dat het antwoord op de vraag of de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving, gevonden moet worden in een afweging van alle concrete feiten, omstandigheden en belangen, waarbij niet op voorhand het recht op vrijheid van meningsuiting, dan wel enig ander fundamenteel recht prevaleert (zie onder meer: HR 6 januari 1995, Van G. vs Het Parool, NJ 1995,422)

 

3.30 Ook in de onderhavige zaak is sprake van een botsing van twee fundamentele rechten, waarbij niet op voorhand gezegd kan worden dat het ene recht zwaarder weegt dan het andere. Verweerster doet een beroep op de persvrijheid, neergelegd in artikel 10 EVRM. Verzoeker doet een beroep op het recht om niet gediscrimineerd te worden vanwege zijn politieke gezindheid. Dit recht is neergelegd in de Algemene wet gelijke behandeling en heeft een pendant in artikel 1 van het twaalfde protocol bij het EVRM, waarin is bepaald dat het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

 

3.31 Verzoeker doet geen beroep op zijn vrijheid van meningsuiting. Ten overvloede overweegt de Commissie dat verzoeker aan artikel 10 EVRM niet het recht zou kunnen ontlenen om zijn reactie te plaatsen op het door hem gewenste forum. De vrijheid van meningsuiting van artikel 10 EVRM houdt niet een keuzevrijheid van het medium in, tenzij sprake is van een monopoliepositie van het betreffende medium. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake (zie: EHRM, 6 mei 2003, Appleby vs Verenigd Koninkrijk, r.o. 47, LJN: AP0909, met noot van J.G. Brouwer en A.E. Schilder).

 

3.32 Verweerster stelt dat de pers de vitale rol van publieke waakhond speelt. De Commissie is van oordeel dat de waakhondfunctie van verweerster niet wordt gedwarsboomd dan wel wordt gehinderd indien andersluidende reacties, zoals die van verzoeker, op haar internetforum te lezen zijn. Verweerster kan deze taak blijven vervullen waarbij het ook duidelijk op het internetforum is dat de reacties niet van verweerster zelf afkomstig zijn maar van derden. Dit aspect van de persvrijheid is naar het oordeel van de Commissie in de voorliggende zaak dan ook niet aan de orde.

 

3.33 Verweerster heeft aangevoerd dat de persvrijheid mede omvat de vrijheid van redacties om politieke kleur te kiezen en daarmee een eigen identiteit te creëren en in stand te houden. Verweerster heeft aangevoerd dat het voor haar onmogelijk is om een eigen identiteit te creëren als zij alle geluiden zou moeten laten horen, ook op het internetforum. Verweerster benadrukt het belang van een pluriforme pers als één van de bestaansvoorwaarden voor een democratische samenleving. Een voorwaarde voor die pluriformiteit is de redactionele vrijheid voor de media om zelf te bepalen welk geluid ze laten horen, aldus verweerster. Zij stelt in dit verband dat door derden geplaatste reacties op het internetforum gevolgen kunnen hebben voor de door verweerster bewaakte identiteit en daarom moeten kunnen worden geweigerd.

 

3.34 De Commissie volgt verweerster in haar opvatting dat zij als persorgaan een bepaalde identiteit heeft en zich daarmee positioneert in het medialandschap. Deze gekozen en te behouden identiteit als persorgaan raakt aan de kern van de persvrijheid in de zin van artikel 10 EVRM. De Commissie onderkent het belang dat verweerster heeft bij een ruime mate van redactionele vrijheid met betrekking tot de onderwerpen waaraan zij aandacht wenst te geven en de wijze waarop zij dat wenst te doen. Verweerster kan zo bepaalde lezers en bezoekers bereiken. Verweerster komt, mede in het licht van deze identiteit en het bereiken van een bepaalde doelgroep, in beginsel de vrijheid toe om zelf te bepalen hoe zij haar producten en diensten vorm geeft. De Commissie is van oordeel dat verweerster deze keuzevrijheid ook heeft bij het inrichten van het onderhavige internetforum. Onbetwist is dat dit onderdeel uitmaakt van verweerster. Hieraan doet niet af dat het bij internet om schier grenzeloze mogelijkheden gaat om reacties te laten plaatsen. Dit bijvoorbeeld in tegenstelling tot een ingezonden brievenrubriek van een krant. Naar het oordeel van de Commissie blijft het uitgangspunt hetzelfde.

 

3.35 De Commissie is van oordeel dat het in beginsel aan verweerster is om als persorgaan de keuzes te maken hoe haar journalistieke product eruit ziet. Het weigeren van bepaalde reacties behoort tot deze keuzevrijheid. Vergelijk in deze zin Partij voor de dieren vs Nederlandse Omroep Stichting (NOS), Rechtbank Amsterdam, 28 februari 2011, LJN: BP612100, waarin de rechter overwoog dat het op grond van haar journalistieke vrijheid in beginsel aan NOS is te bepalen op welke manier en met deelname van wie zij het politieke debat wenst te organiseren. Tijd, plaats en thema van het debat eisen begrenzing van het aantal deelnemers daaraan. Het is niet aan de rechter in de plaats te treden van de programmamaker en deze voor te schrijven hoe hij het voorgenomen journalistieke product (beter) dient uit te voeren.

 

3.36 Hier tegenover staat het belang van verzoeker om niet te worden gediscrimineerd op grond van zijn politieke gezindheid. De Commissie overweegt ten aanzien van dit belang dat verzoeker door het onderscheid dat verweerster maakt, niet in zijn menselijke waardigheid wordt aangetast. Als verzoeker daarin wel zou zijn aangetast, kan niet snel worden aangenomen dat zijn belang moet wijken voor dat van verweerster. Voorts overweegt de Commissie dat de benadeling van verzoeker die voortvloeit uit het door verweerster gemaakte onderscheid, eruit bestaat dat hij op het internetforum van verweerster geen reacties meer kan plaatsen die blijk geven van zijn politiek gezindheid. Ten aanzien hiervan overweegt de Commissie dat verzoeker dergelijke reacties op vele manieren en op vele andere podia kan uitdragen. Er zijn internetfora waar hij wel zijn reacties kan geven. De omstandigheid dat verzoeker juist op het internetforum van verweerster “een ander geluid wil laten horen” doet hieraan niet af. Zoals hiervoor onder 3.31 is overwogen bestaat er, behoudens bijzondere omstandigheden, niet zoiets als een keuzevrijheid van het podium (vergelijk: EHRM, 6 mei 2003, Appleby vs Verenigd Koninkrijk, r.o. 47, LJN: AP0909, met noot van J.G. Brouwer en A.E. Schilder).

 

3.37 Alle belangen afwegend is de Commissie van oordeel dat in het onderhavige geval het belang van verzoeker om niet op grond van zijn politieke gezindheid te worden gediscrimineerd, moet wijken voor het belang dat verweerster als persorgaan heeft bij de persvrijheid. Een beperking van de door artikel 10 EVRM gewaarborgde persvrijheid is in dit geval niet noodzakelijk te achten. Dit leidt voor het onderhavige geval tot de conclusie dat het verbod op direct onderscheid op grond van politieke gezindheid niet verenigbaar is met artikel 10 EVRM en dat derhalve artikel 7 AWGB in samenhang met artikel 1 AWGB, waarin dit verbod is neergelegd, geen toepassing kan vinden. Het door verweerster gemaakte onderscheid op grond van politieke overtuiging is dan ook niet verboden.

 

 

4 Oordeel

 

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat Reed Business B.V. jegens . . . . geen verboden onderscheid op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt bij het aanbieden van of verlenen van de toegang tot een dienst, door reacties van verzoeker van het internetforum te verwijderen en hem niet langer de toegang te verlenen tot het internetforum om reacties te plaatsen.

 

Aldus gegeven te Utrecht op 28 april 2011 door mr. Ch.M. van der Bas, voorzitter, mr. E.J.M. Hofhuis en mr. M. Zwamborn , leden van de Commissie Gelijke Behandeling, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Hester, secretaris.

 

 

mr. Ch.M. van der Bas       

namens deze,

mr. E.J.M. Hofhuis

Commissielid

 

mr. S.B. Hester

Grond:

Terrein:

Trefwoord:

Wetsartikel

Dictum: