Ontstaan, werking, voortbestaan en verandering van stereotypen

Module 2 behandelt het ontstaan, de werking, het voortbestaan en de veranderingsmogelijkheden van stereotypen. Hoewel stereotypen nuttig en nodig kunnen zijn, zijn er veel ongewenste en vaak ook onbewuste uitwerkingen.

Image removed.


Welke dimensies zijn hierin te onderkennen? Hoe werkt het activeren van stereotypen? Welke gevolgen heeft dat voor individuen en groepen? De effecten van stereotypen op zowel beoordelaars als beoordeelden komen uitvoerig aan de orde. En hoe komt het dat stereotypen vaak zo ‘hardnekkig’ in stand blijven? Aan de hand van voorbeelden wordt gekeken naar de mogelijkheden om effecten van stereotypen te veranderen en/of te verminderen.

Deel

Aanmelden

Wil je meer weten over de mogelijkheden voor je opleiding of organisatie voor het volgen van de training? Neem dan contact op met Claartje Thijs of Barbara Bos via:

Onderwerpen

Module 2
  • Hoe wordt het ontstaan van stereotypen verklaard door de cognitief-functionele benadering, de sociale identiteitstheorie en de roltheorie?
  • Hoe werkt het activeren van stereotypen?
  • Wat zijn de effecten van stereotypen op beoordelaars en beoordeelden?
  • Hoe blijven stereotypen in stand en hoe worden ze bevestigd?
  • In hoeverre kunnen stereotypen worden veranderd of verminderd?

Een greep uit deze module

Voorbeeld 1

Opdracht Ingroup en Outgroup

In de filmbeelden horen en zien we jonge vrouwelijke leerlingen van een VWO- en VMBO-afdeling van eenzelfde scholengemeenschap. Zij bekijken foto’s van mannen (loverboys) en beantwoorden vragen over de aantrekkelijkheid/imago van die mannen. De meisjes uit de gymnasiumklas houden er duidelijk andere beelden op na dan de meisjes uit de VMBO-klas.

Welke voorbeelden van ingroup- en outgroup stereotypen hoor je verwoord in dit fragment?

In het fragment komen onder andere de volgende stereotypen langs:

  • Stereotypen over VMBO- en VWO-leerlingen (hoog- en laagopgeleiden);
  • Stereotypen langs genderlijnen (m/v);
  • Stereotypen naar etniciteit (de loverboys zijn allochtoon).
Voorbeeld 2

Opdracht dimensies van stereotypen over (out)groups

Volgens de theorie van Fiske (2012) kunnen stereotypen over ‘andere’ groepen (outgroups) worden ingedeeld in 2 (universele) dimensies, die verder gaan dan alleen het onderscheid tussen ‘eigen’ en ‘andere groep’:

  • Warmte-koude dimensie
  • Competent-niet competent dimensie

De eerste dimensie (warmte-koude), bevat eigenschappen als sociaal, humorloos, betrouwbaar, vriendelijk, saai, tolerant en hartelijk. De tweede dimensie (competent-niet competent) bevat competentiegerelateerde eigenschappen die in te delen zijn op een schaal (bijvoorbeeld intelligent, ambitieus, onhandig). Fiske stelt bijvoorbeeld dat groepen die samenwerken als warm en betrouwbaar overkomen en dat groepen die competitief zijn, als koud en onbetrouwbaar.
Welke verklaring heb je voor de opname van ‘ouderen’ en ‘mensen met een beperking’ in het kwadrant ‘weinig competent maar warm’ in het schema uit de foto? Welke algemene stereotypen spelen daarbij een rol?

Voorbeeld 3

Voortbestaan van stereotypen door subtypering

Bij deze opdracht twee afbeeldingen. Op de eerste afbeelding zien we een huisman. Mannen die de huishouding actief voor hun rekening nemen wijken zodanig af van de stereotypen over mannen (stoer, zelfstandig, kostwinner, leidend, buitenshuis werkend) dat mannen die niet aan het beeld voldoen in de aparte categorie ‘huisman’ worden gestopt.

Op de tweede afbeelding zien we Neelie Kroes, ook weleens ‘onze sterke vrouw in Brussel’ genoemd. Zij voldoet niet aan de stereotypen over vrouwen (verzorgend, ingetogen, lief, warm, focus op thuis en zorg voor kinderen, niet leidinggevend) en past daarmee prima in de subcategorie ‘carrièrevrouw’.