Toegelicht

Gepubliceerd 27 september 2016, 17:33 en laatst aangepast 21 november 2016, 14:48

Hebben zelfstandigen met terugwerkende kracht recht op een zwangerschapsuitkering?

Wat speelt er?

Op 26 september 2016 oordeelde de Rechtbank Midden-Nederland dat een vrouw, die in 2005 is bevallen terwijl ze werkzaam was als zelfstandige, alsnog recht heeft op een uitkering of vervangende schadevergoeding. Tussen 1 augustus 2004 en 4 juni 2008 bestond er geen zwangerschaps- of bevallingsuitkering voor zelfstandigen. Dit levert een schending op van artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, van het VN Vrouwenverdrag. Deze bepaling verplicht staten een regeling te treffen om werkende zwangere vrouwen te beschermen tegen verlies van hun baan en achteruitgang in inkomen.

Deze uitspraak kent een lange voorgeschiedenis. Na juridische procedures in Nederland te hebben gevoerd, legde een groep vrouwen in 2011 hun klacht voor aan het Comité inzake de uitbanning van discriminatie van vrouwen (CEDAW). Op 17 februari 2014 concludeerde dit Comité in de zaak De Blok et al. t. Nederland dat Nederland artikel 11 lid 2 onder b van het verdrag heeft geschonden. Dit omdat er geen financiële vergoeding of sociale voorzieningen was geregeld voor zwangere zelfstandig werkende vrouwen tussen augustus 2004 en juni 2008. Het Comité deed de aanbeveling deze vrouwen met terugwerkende kracht een vergoeding uit te keren.

Een oordeel van het CEDAW is een aanbeveling en niet direct uitvoerbaar zoals een vonnis van de Nederlandse rechter. In een brief aan de Tweede Kamer van 19 september 2014 liet minister Asscher (SZW) weten dat de regering heeft besloten de aanbeveling niet op te volgen. Hij was van mening dat artikel 11 lid 2 alleen van toepassing is op werknemers in loondienst. Ook bestreed hij dat er een rechtstreekse werking kan worden ontleend aan dit artikel. Dit betekent dat mensen in Nederland geen direct beroep kunnen doen op dat artikel. Bovendien zag de minister het nut er niet van in om na al die jaren nog een uitkering toe te kennen. Hij schreef de Tweede Kamer dat een zwangerschapsuitkering is bedoeld om de (aanstaande) moeder rond de bevalling de benodigde rust te geven, ter bescherming van de gezondheid van moeder en kind. Het achteraf verstrekken van een uitkering draagt niet bij aan het bereiken van die doelstelling, aldus de minister. Hierop ging een van de vrouwen naar de civiele rechter.

Welke mensenrechten spelen er?

Artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, van het VN-Vrouwenverdrag luidt als volgt: Ten einde discriminatie van vrouwen op grond van huwelijk of moederschap te voorkomen en het daadwerkelijke recht van vrouwen op arbeid te verzekeren, nemen de Staten die partij zijn bij dit Verdrag passende maatregelen om:a. (…)b. verlof wegens bevalling in te voeren met behoud van loon of met vergelijkbare sociale voorzieningen, zonder dat dit leidt tot verlies van de vroegere werkkring, de behaalde anciënniteit of de hun toekomende sociale uitkeringen.

Wat zegt de rechter?

Volgens de Rechtbank komt aan artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vrouwenverdrag rechtstreekse werking toe. Dat betekent dat mensen in Nederland zich direct kunnen beroepen op dit artikel en dat de rechter het rechtstreeks kan toepassen. Daarbij onderzoekt de rechter of de nationale regels en praktijk in overeenstemming zijn met het artikel. De rechter heeft geconcludeerd dat dit niet het geval is. De consequentie is dat de wettelijke bepaling die vrouwelijke zelfstandigen uitsloot van de uitkering, buiten toepassing blijft (op basis van artikel 94 Grondwet). Vervolgens heeft de rechter gekeken naar de inhoud van het artikel in CEDAW, De rechter sluit aan bij de uitleg die het CEDAW heeft gegeven aan de inhoud van artikel 11: de bepaling geldt niet alleen voor vrouwen in loondienst maar ook voor vrouwen die als zelfstandige werken. Tenslotte accepteert de rechter het argument van de overheid, dat een uitkering nu geen zin meer heeft, niet. De rechtbank oordeelt dat het hier gaat om reparatie van de schending van het verdrag. Een vergoeding kan daartoe wel dienen.

Hoe nu verder?

De rechtbank draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen over het bezwaar van de vrouw, met in achtneming van deze uitspraak.

Wat doet het College?

Het College heeft het niet-naleven van de uitspraak verschillende keren onder de aandacht gebracht van de overheid. Dit gebeurde dit jaar nog in de verdragsrapportages voor CEDAW (januari) en de Universal Periodic Review (september).Vrouwen die menen te zijn gediscrimineerd wegens zwangerschap of moederschap kunnen bij het College een verzoek om een oordeel indienen. In 2015 werden 600 vragen gesteld over zwangerschapsdiscriminatie en 38 verzoeken gedaan (op totaal van 440). Ook in 2016 krijgt het College veel verzoeken. Zo is er 13 oktober een aparte themazitting ‘zwangerschapsdiscriminatie’.Het College heeft in 2012 en in 2016 onderzoek gedaan naar zwangerschapsdiscriminatie. Een belangrijke bevinding in 2012 was dat ongeveer 45% van de vrouwen op de arbeidsmarkt te maken heeft gehad met mogelijke discriminatie wegens zwangerschap of pril moederschap. In 2016 is dat aantal ongeveer gelijk (43%). Naar aanleiding van het meest recente onderzoek roept het College de overheid op om met een gericht actieplan tegen zwangerschapsdiscriminatie te komen en deze ook uit te voeren.

Onderzoek College

Hoe is het bevallen? (2012)

Is het nu beter bevallen? (2016)

Tags

Trefwoord: