Status van mensenrechteninstituten

De Internationale Alliantie van Mensenrechteninstituten (GANHRI) is in 1993 opgericht. GANHRI is ondersteunt de nationale mensenrechteninstituten in het werken met de Verenigde Naties. GANHRI bepaalt of een nationaal mensenrechteninstituut voldoet aan de Paris Principles. Hierin zijn regels vastgelegd waar een nationaal mensenrechteninstituut aan moet voldoen.

A-, B- of C- status

De Internationale Alliantie van Mensenrechteninstituten (GANHRI) is in 1993 opgericht. GANHRI is ondersteunt de nationale mensenrechteninstituten in het werken met de Verenigde Naties. GANHRI bepaalt of een nationaal mensenrechteninstituut voldoet aan de Paris Principles. Hierin zijn regels vastgelegd waar een nationaal mensenrechteninstituut aan moet voldoen. Denk aan onafhankelijkheid en het hebben van een breed takenpakket op alle gebieden van de rechten van de mens. Het kantoor van de VN-Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) ondersteunt GANHRI. Via een accreditatieprocedure, bepaalt GANHRI of een nationaal mensenrechteninstituut voldoet aan de Paris Principles. In deze procedure kent GANHRI een letter (A, B of C) toe aan het instituut, die correspondeert met een bepaalde status.

A-status
Het nationaal mensenrechteninstituut voldoet aan alle Paris Principles. Het is dan volwaardig lid van GANHRI en heeft het recht om te spreken op internationale fora, zoals de VN-Mensenrechtenraad. Wereldwijd zijn er 78 mensenrechteninstituten met deze status, waarvan 27 in Europa. Het College voor de Rechten van de Mens heeft in mei 2014 de A-status gekregen.

B-status
Het nationaal mensenrechteninstituut voldoet deels aan de Paris Principles. Het mag op internationaal niveau deelnemen, maar niet stemmen binnen GANHRI of interfereren in VN-fora.

C-status
Het nationaal mensenrechteninstituut voldoet niet aan de Paris Principles. Het mag alleen als waarnemer deelnemen aan sessies bij GANHRI. Het Roemeens Instituut voor de Mensenrechten is hiervan een voorbeeld.

De status van een nationaal mensenrechteninstituut wordt elke vijf jaar (opnieuw) beoordeeld. Of eerder als daar aanleiding toe is. Verliest een instituut bijvoorbeeld haar onafhankelijke positie ten opzichte van de overheid? Of betuigt een instituut steun aan opkomende regimes die in hun strijd de mensenrechten schenden? Dan kan een instituut de A-status verliezen of een lagere status krijgen. De vorm van een instituut of organisatie is niet van belang voor de accreditatie. Zowel een ombudsman, een commissie of een instituut zoals het College voor de Rechten van de Mens, kunnen een A-status krijgen.

Link UPR

Toezicht door de VN

Universal Periodic Review (UPR)
De Mensenrechtenraad controleert sinds 2008 elke vier jaar de mensenrechtensituatie in de VN-lidstaten via de Universal Periodic Review. In Nederland heet dit proces ook wel het 'mensenrechtenexamen'. De 47 leden van de Mensenrechtenraad en andere VN-lidstaten kunnen op basis van diverse rapportages vragen hoe de situatie ervoor staat in een bepaald land. De vragen zijn gericht op positieve ontwikkelingen en goede voorbeelden waar andere landen van kunnen leren. Ook vragen de lidstaten in de UPR-dialoog naar punten waar een land de mensenrechtensituatie nog kan verbeteren. Alle 193 lidstaten van de VN krijgen dit 'examen'. Nederland onderging in 2008, 2012 en 2017 zo'n review.

De UPR bestaat uit een aantal stappen. De overheid, goede doelen organisaties (ngo’s) en een mensenrechteninstituut leveren een rapport in bij de VN. Van deze rapporten wordt een samenvatting gemaakt voor de andere landen in de raad. Hierdoor kunnen landen goede vragen stellen aan het land dat de UPR ondergaat. De vragenronde vindt plaats tijdens de zogenaamde UPR-dialoogsessie. In mei 2017 kreeg Nederland vragen van 89 andere landen. De minister van Binnenlandse Zaken heeft in de sessie direct geantwoord op een aantal vragen. In het gesprek gaven landen ook adviezen aan Nederland over hoe zij bepaalde situaties kan verbeteren. In totaal ontving Nederland 203 aanbevelingen. Deze aanbevelingen werden door de voltallige Mensenrechtenraad aangenomen in september 2017.

De uiteindelijke aanbevelingen zijn niet juridisch bindend. De Nederlandse overheid kan de aanbevelingen dus naast zich neerleggen. Als Nederland aanbevelingen accepteert, moeten we dit toelichten aan de VN na het uitbrengen van de aanbevelingen. Daarna heeft de Nederlandse overheid vier jaar de tijd om de aanbevelingen om te zetten in beleid. Na vier jaar start een nieuwe UPR-cyclus van rapportages en dialoog. Twee jaar na de UPR-aanbevelingen mogen de Nederlandse overheid, het College en de ngo’s een interim-rapportage inleveren. Daarmee houden we de Mensenrechtenraad op de hoogte over de tussentijdse ontwikkelingen van de mensenrechtensituatie in Nederland en kan er discussie plaatsvinden in de Mensenrechtenraad over wat er nog (extra) moet gebeuren.

Individuele klachtenprocedures Mensenrechtenraad
Dat houdt in dat iedereen waar ook ter wereld een klacht kan indienen bij de Mensenrechtenraad over schendingen van de rechten van de mens in zijn of haar land. Het moet wel gaan over grove en systematische schendingen. Een persoon kan geen klacht indienen over individuele gevallen.

Verdragscomités
Er zijn negen VN-mensenrechtenverdragen en bijbehorende comités. Hiervan heeft Nederland er acht bekrachtigd:

Niet door Nederland bekrachtigd:

  • het Internationaal Verdrag voor Rechten van Migrerende Werknemers en hun Familieleden (CMW).

 

Individuele klachtenprocedures VN-comités
Iedereen mag een individuele klacht indienen bij een VN-comité. In een individuele klachtenprocedure onderzoekt het comité of er sprake is van een schending van een verdrag in een bepaald land. De uitkomst van zo'n procedure is juridisch niet bindend. Landen worden wel geacht de aanbevelingen serieus te nemen en op te volgen. Nederland heeft geen goedkeuring gegeven aan het CESCR, CRC en CRPD om individuele klachten in behandeling te nemen.

Algemene aanbevelingen
VN-verdragscomités kunnen ook algemene aanbevelingen geven. Deze General Comments lichten een artikel in een verdrag toe. Ze geven een land meer duidelijkheid over de verplichtingen die het heeft om het verdragsartikel na te leven. Zie voor een overzicht van de aanbevelingen van landencommentaren: www.mensenrechtenkwesties.nl.

Toezicht door de Raad van Europa

Comités en organen Raad van Europa
In de Raad van Europa houden verschillende comités en organen toezicht op de mensenrechtensituatie in 47 Europese landen waaronder Nederland. Hieronder staan ze op een rij: 

  • Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens houdt toezicht op het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Het Hof behandelt hiervoor klachten van individuen tegen een land. Een persoon moet dan wel eerst alle mogelijke rechtsprocedures op nationaal niveau hebben doorlopen. De uitspraken van het Europese Hof zijn bindend. Landen zijn verplicht om maatregelen te nemen als een schending is geconstateerd. Het Comité van Ministers van de Raad van Europa controleert de naleving van deze uitspraken. 
  • De Commissaris voor de Mensenrechten bezoekt alle 47 landen en spreekt dan met regering, parlementsleden, ngo's en instituten zoals het mensenrechteninstituut. Op basis hiervan geeft hij aanbevelingen aan een land om de mensenrechtensituatie verder te verbeteren.
  • De Europese Commissie tegen discriminatie en intolerantie (ECRI) geeft specifieke aanbevelingen aan landen. Daarnaast legt de commissie in algemene aanbevelingen uit wat landen  kunnen doen om hun beleid ter bestrijding van discriminatie te verbeteren.
  • Het Europees Comité ter voorkoming van foltering (CPT) bezoekt regelmatig alle 47 landen. Het Comité inspecteert dan overheidsinrichtingen, zoals politiecellen en gevangenissen.
  • Het Europees Comité voor Sociale Rechten houdt toezicht op het Europees Sociaal Handvest. Nederland moet om de vier jaar rapporteren aan dit Comité. Verder behandelt het Comité klachten tegen de 47 landen.
  • De Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (GREVIO) houdt toezicht op de uitvoering van het gelijknamige verdrag. 

De Groep van deskundigen inzake actie tegen mensenhandel (GRETA) houdt toezicht op de uitvoering van het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhan