Toegelicht

Mag Nederland de vrijheid om zelf te kiezen waar je wil wonen beperken?

27 september 2016 - Laatste update 22 juni 2020

Mevrouw Garib mocht van de gemeente Rotterdam niet binnen de Tarwewijk in Rotterdam verhuizen naar een andere woning. Nadat zij bij de Nederlandse rechter is geweest, vecht zij de beslissing aan bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Ze beroept zich op haar recht op vrijheid van beweging en de vrijheid om zelf haar verblijfplaats te kiezen.

 

Wat speelt er?

Mevrouw Garib is een alleenstaande moeder met twee kinderen die volledig afhankelijk is van een uitkering voor haar inkomen. Ze woonde ongeveer twee jaar in de Tarwewijk in Rotterdam, toen de huiseigenaar haar vroeg of ze wilde verhuizen naar een ruimere woning in dezelfde wijk. De huiseigenaar wilde namelijk wat verbouwingen doen in haar huis. Mevrouw Garib accepteerde het verzoek. Intussen was de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek in werking getreden.

Het doel van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek is om segregatie tegen te gaan. Dat betekent dat de Wet probeert te voorkomen dat hele wijken uitsluitend bevolkt worden door mensen die leven in dezelfde sociaal economische omstandigheden. Op basis van deze wet mogen gemeenten de vestiging van bepaalde groepen mensen in bepaalde aangewezen wijken weigeren. Om te mogen wonen in zo’n wijk moeten mensen die korter dan 6 jaar in de gemeente wonen, een huisvestingsvergunning aanvragen. Mensen die voor hun inkomen afhankelijk zijn van een uitkering krijgen zo’n vergunning niet.

De gemeente Rotterdam heeft op basis van deze wet een Huisvestingsverordening aangenomen die van toepassing is op bepaalde wijken in Rotterdam, waaronder de Tarwewijk. Mevrouw Garib woonde nog geen 6 jaar in de gemeente Rotterdam en moest dus een huisvestingsvergunning aanvragen. Omdat zij een alleenstaande moeder is met enkel een uitkering als inkomen, weigerde de gemeente haar de vergunning.

Wat oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens?

Het Hof oordeelde dat Nederland de vrijheid van mevrouw Garib om zelf te kiezen waar zij wil wonen niet schendt. Haar vrijheid is weliswaar beperkt, maar deze beperkingen zijn gerechtvaardigd volgens het Hof. Het Hof heeft uitsluitend gekeken of de maatregelen in de wet en de beperkingen die deze wet oplegt geschikt zijn om het doel te behalen, namelijk terugdringen van het aantal probleemwijken en bevorderen leefklimaat. In hoeverre deze wet gevolgen heeft voor mevrouw Garib weegt het Hof niet mee. Het Hof zegt dat er over beleid in een democratische samenleving nu eenmaal verschillende meningen zijn. Het is niet aan het Hof om op de stoel van de nationale wetgever te zitten en na te gaan of het uiteindelijke resultaat correct is.

Wel heeft het Hof bekeken of het wetgevingsproces zorgvuldig genoeg was en hoe verschillende argumenten in dit proces zijn meegenomen. Dit geldt zeker voor de vraag of er eerlijk gekeken is naar de belangen van de staat (tegengaan probleemwijken) tegenover de schending van individuele belangen (recht om zich vrij te vestigen). Het Hof stelt dat het wetgevingsproces zorgvuldig is verlopen. Het heeft, bijvoorbeeld, geconstateerd, dat er naar aanleiding van adviezen van externe partijen en debatten in de Eerste en Tweede Kamer wijzigingen zijn doorgevoerd. Deze wijzigingen leidden er toe dat er meer waarborgen en vangnetten zaten in de wet om negatieve effecten van de wet te beperken. Ook zijn de maatregelen tijdelijk van aard, beperkt tot specifieke gebieden en worden regelmatig geëvalueerd.

Niet alle rechters waren het eens

Het oordeel van het Hof was niet unaniem. 2 van de 7 rechters waren het niet eens met het oordeel. Zij hebben een zogeheten dissenting opinion gegeven. Deze rechters vinden voornamelijk dat het Hof juist meer had moeten kijken naar het effect van de wet op mevrouw Garib en haar vrijheid zich ergens te vestigen. Zij vinden dat de maatregelen onnodig stereotyperen en (onbewust) discrimineren. De beperkingen benadelen namelijk vooral specifieke groepen: alleenstaande moeders en immigranten. Zo is mevrouw Garib een vergunning geweigerd op basis van inkomen, terwijl zij verder geen enkele geschiedenis had van overlast. Bovendien vinden ze dat er andere, niet-discriminerende en vrijheid beperkende, maatregelen zijn om hetzelfde beleidsdoel te behalen. Zij komen tot de conclusie dat mevrouw Garib’s recht om haar verblijfplaats te kiezen is geschonden.

Wat heeft dit met mensenrechten te maken?

Het recht om in vrijheid te kiezen waar je wil wonen is een belangrijk mensenrecht. Het is gekoppeld aan de vrijheid van beweging. Het recht is vastgelegd in art. 2 Protocol No.4 EVRM. Dit recht kan alleen beperkt worden indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Deze staan in paragrafen 3 en 4 van art. 2 Protocol no.4 EVRM. In het geval van de zaak hierboven beschreven heeft het Hof geoordeeld, op basis van paragraaf 4 van art. 2 Protocol no. 4 EVRM, dat beperkingen geoorloofd waren. De dissenting opinion van de twee rechters is belangrijk, aangezien zij oordelen dat er hier sprake is van stereotypering en (onbewuste) discriminatie, met name tegen mensen met een niet-Nederlandse herkomst en alleenstaande vrouwen (met kinderen). Bij discriminatie zijn (ook) andere mensenrechten in het geding, zoals in dit geval, art. 14 EVRM. Partijen kunnen de uitspraak van het Hof nog aan de Grote Kamer voorleggen.

Wat doet het College?

Het Hof verwijst in zijn arrest naar een advies van de Commissie gelijke behandeling uit 2005. Dat advies betrof het wetsontwerp van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek.

Update

Op 12 september is deze zaak doorverwezen naar de Grote Kamer van het Hof. Inmiddels is er een nieuw wetsvoorstel aangenomen door de Eerste en Tweede Kamer. In de ontwerpfase van deze wet bracht het College een wetgevingsadvies uit.

Meer informatie

In de media

 

Wil je iets kwijt over dit onderwerp?