Toegelicht

Vaccineren en mensenrechten

3 april 2019 - Laatste update 11 juni 2019

De afgelopen jaren is in Nederland jaren de vaccinatiegraad gedaald voor een aantal ernstige infectieziekten zoals mazelen en kinkhoest, van 95% naar 90% in 2018.

Dat heeft geleid tot debat in de Tweede Kamer en de media over de vraag hoe deze daling tegen te gaan is. Overigens blijkt uit voorlopige cijfers van de RIVM in januari 2019 dat de vaccinatiegraad bij jonge kinderen niet verder afneemt.

Babyvoetjes

Bij vragen rond vaccinatie spelen verschillende mensenrechten een rol. Mensenrechten wijzen niet bij voorbaat in de richting van een bepaald standpunt voor- of tegen (verplichte) vaccinatie. Internationale mensenrechtenverdragen geven veel ruimte aan de nationale overheden om zelf een afweging te maken welke maatregelen nodig zijn om de volksgezondheid te beschermen en te bevorderen, ook als die maatregelen een inbreuk op bepaalde mensenrechten inhouden. Met deze toelichting geeft het College weer welke mensenrechten in beeld komen als het gaat om vragen over vaccineren.

Wat speelt er?

Om ernstige infectieziekten te voorkomen worden in ons land sinds 1957 kinderen gevaccineerd via het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Er is geen verplichte inenting maar het RVP heeft ertoe geleid dat sindsdien meer dan 95% van de jonge kinderen gevaccineerd zijn.

Het overgrote deel van de ouders kiest er voor hun kind te laten inenten. Echter, een groeiend aantal ouders in Nederland en ons omringende landen doet dit niet. Soms vergeten ze het. Vaak gebeurt dit bewust vanwege zorgen over de veiligheid van vaccins, de overtuiging dat deze niet werken, of vanwege het beeld dat het risico om zo’n infectieziekte op te lopen klein is en de schadelijke gevolgen van de ziekte niet zo groot zijn. Daarnaast zijn er ouders die religieuze of levensbeschouwelijke bezwaren hebben tegen vaccinaties.

Gevreesd wordt dat als de vaccinatiegraad verder daalt en op een kritiek punt komt, het infectierisico voor met name jonge kinderen onverantwoord groot wordt. Tot 14 maanden zijn kinderen te jong voor vaccinatie en zijn zij onbeschermd tegen besmettelijke infectieziekten. Vooral deze jonge kinderen zijn in hoge mate afhankelijk van de bescherming op groepsniveau. Maar ook andere kwetsbare groepen lopen risico als de daling verder doorzet.

Vaccinatie beschermt dus het kind zelf, maar dient ook een collectief belang. Wetenschappers en medisch experts wijzen erop dat er tot nu toe geen deugdelijk wetenschappelijke bewijs is geleverd dat vaccins schade toebrengen aan de gezondheid van kinderen. Dit neemt niet weg dat individuele kinderen last kunnen hebben van bijwerkingen na vaccinatie.

Voorlichting

Om te voorkomen dat de vaccinatiegraad verder daalt, kondigde staatsecretaris Blokhuis van VWS in november 2018 een aantal maatregelen aan. Zo wil hij een betere aansluiting tussen onderzoek, voorlichting en communicatie en de daarmee rol van professionals versterken. Genoemd worden professionals uit de jeugdgezondheidszorg, artsen, verloskundige, kraamhulp en ook docenten. Vanuit de Tweede Kamer is aangedrongen op meer inzet van ervaringsdeskundigen, jeugdartsen en apothekers (Kamerdossier 32793 nr 353).

Sommige Kamerleden en burgers dringen aan op verdergaande maatregelen, die meer druk op ouders uitoefenen, waarbij ook de roep klinkt om vaccinatie verplicht te stellen. Veel van die maatregelen richten zich op de kinderopvang omdat jonge kinderen in de risico-leeftijd daar met elkaar in contact komen.

Staatssecretaris Van Ark (SZW) stelde daarom een externe commissie die onderzoekt welke maatregelen kunnen worden genomen om kindercentra en voorzieningen voor gastouderopvang ‘kwalitatief goed en veilig’ te maken. Tweede Kamerlid Raemakers (D66) diende een initiatiefwetvoorstel in om de wet op de kinderopvang zo aan te passen dat kinderopvangcentra de mogelijkheid krijgen om ongevaccineerde kinderen te weigeren. Het College heeft advies uitgebracht over dit wetsvoorstel en recentelijk publiceerde ook de Raad van State zijn advies daarover.

Wat heeft vaccineren met mensenrechten te maken?

Bij vragen rond vaccineren spelen verschillende mensenrechten een rol. Deze lopen we hieronder kort langs.

Recht op gezondheid

Het recht van eenieder op een zo goed mogelijke gezondheid is vastgelegd in art. 11 en 13 van het Europees Sociaal Handvest en in art. 12 van het Internationale Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR). Dit recht verplicht de overheid onder meer om ziekten zoveel mogelijk te voorkomen, te beheersen en te zorgen voor adequate behandeling. Dat de overheid voorlichting geeft over ernstige infectieziekten en vaccinaties aanbiedt die, naar de heersende medische en wetenschappelijke standaarden, veilig en effectief zijn, vloeit dus mede voort uit deze mensenrechtelijke verplichting.

VN-Kinderrechtenverdrag

Kinderen hebben ook een eigen recht op gezondheid dat los staat van de rechten van hun ouders (artikel 24 VN-Kinderrechtenverdrag). Artikel 3 van dit verdrag dwingt ertoe om bij alle maatregelen die kinderen aangaan het belang van het kind voorop te stellen. Daarnaast verplicht artikel 5 overheden om de rechten van ouders te respecteren om hun minderjarige kinderen op te voeden volgens hun eigen overtuigingen en hun keuzevrijheid.

De overheid moet ouders goed informeren over factoren die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van hun kind en moet zorgen dat ouders een geïnformeerde keuze kunnen maken over de gezondheid van hun kind.

Soms kan het vanwege dit recht op gezondheid en de belangen van het kind nodig zijn dat de overheid maatregelen neemt die gepaard gaan met inbreuken op vrijheidsrechten van burgers. Dan komen een aantal andere mensenrechten in beeld, bijvoorbeeld de godsdienstvrijheid en het recht op bescherming van het privéleven.

Recht op vrijheid van godsdienst of levensovertuiging

Dit fundamentele recht is opgenomen in artikel 6 van de Grondwet, in artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en in artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR). Staten zijn verplicht om de vrijheid van ouders of wettige voogden te eerbiedigen om hun kinderen op te voeden in overeenstemming met de waarden van hun religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging.

Gaat het om de vrijheid van levensovertuiging, dan geldt het volgende: niet iedere willekeurige levensstijl of –overtuiging wordt beschermd door de wet. Voorwaarde is dat sprake is van een existentiële gemeenschappelijke overtuiging, dat wil zeggen een min of meer coherent stelsel van ideeën, waarbij het gaat om fundamentele opvattingen over het menselijk bestaan. Daarbij is het noodzakelijk dat deze opvattingen niet slechts individueel worden gehuldigd, maar dat sprake is van gemeenschappelijke opvattingen.

Artikel 14 van het Kinderrechtenverdrag legt de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst van het kind vast waarbij eveneens vermeld wordt dat de opvoeding door ouders op dat vlak gerespecteerd dient te worden.

Religieuze bezwaren

Mensen met religieuze bezwaren tegen inenten kunnen zich op het recht op vrijheid van godsdienst of levensovertuiging beroepen. Ook niet-religieuze ouders kunnen dit doen wanneer hun bezwaren voortvloeien uit een gemeenschappelijk gedeelde levensovertuiging met een bepaalde mate van overtuigingskracht, ernst, samenhang en belang. Bovendien moeten de betreffende uitingen (zoals het niet willen vaccineren) van die levensovertuiging algemeen of in brede kring als uitdrukking van die levensovertuiging gelden.

De rechter beoordeelt dit van geval tot geval. In het algemeen zal de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging echter niet in het geding zijn als bezwaren tegen inenten louter voortvloeien uit angst voor de veiligheid van vaccins of uit het beeld dat de risico’s van de infectieziekten niet zo groot zijn.

Eerder heeft de kinderrechter uitspraak gedaan over medisch ingrijpen bij zieke kinderen van ouders die, om religieuze redenen, een medische behandeling weigerden. In deze zaak ging het om een medisch noodzakelijke bloedtransfusie en niet om preventief inenten. De rechter verleende vervangende toestemming voor de bloedtransfusie.

Van groot belang voor dergelijke beslissingen is de gezondheidssituatie van de kinderen. De rechter zal in zaken hierover afwegen of die gezondheid zodanig in gevaar is dat het recht op gezondheid van het kind vóór de godsdienstvrijheid van de ouders gaat.

Recht op eerbiediging van privé- en familieleven, inclusief recht op autonomie en lichamelijke integriteit

Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens beschermt het recht op respect voor privé- en familieleven. Dit is een veelomvattend recht: ook de lichamelijke integriteit en het recht op persoonlijke autonomie vallen eronder.

Voor inbreuken op die lichamelijke integriteit en persoonlijke autonomie, bijvoorbeeld door een medische behandeling, is dan ook in beginsel altijd de toestemming nodig van de betreffende persoon. Iemand mag een behandeling weigeren, ook als dat schadelijke gevolgen heeft voor de persoon zelf.

Voor jongeren tussen 12 en 16 jaar en kinderen onder de 12 jaar is (ook) instemming van ouders nodig, tenzij het recht op gezondheid van het kind anders ernstig in gevaar komt (zie hierboven).

Recht op onderwijs

Dit recht is opgenomen in artikel 23 Grondwet, artikel 13 IVESCR en artikel 2 Eerste Protocol EVRM. recht op onderwijs dus ook toegang. Ook het recht op onderwijs recht kan een rol spelen in de discussie over het eventuele niet toelaten van niet-gevaccineerde kinderen tot scholen, kinderopvangcentra en de tussen- en naschoolse opvang.

Momenteel loopt er bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een zaak tegen Tsjechië over niet-ingeënte kinderen die de toegang tot school wordt ontzegd (Vavřička t. Tsjechië, zaaknummer 47621/13). Er zijn echter op dit moment nog geen uitspraken van de Nederlandse rechter of het EHRM over deze kwestie.

Gelijke behandeling en verbod van discriminatie

Het discriminatieverbod is opgenomen in artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en in alle andere belangrijke mensenrechtenverdragen. In het kort betekent het dat ongelijk behandelen alleen mag als er een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor is. In Nederland ligt dit vast in art. 1 Grondwet en is het uitgewerkt in de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB).

De AWGB verbiedt dat aanbieders van goederen en diensten, zoals onderwijsinstellingen en kinderopvangcentra, in hun toelatingsbeleid direct of indirect discrimineren op basis van persoonskenmerken, zoals godsdienst of levensovertuiging. Soms kan het maken van onderscheid echter toch gerechtvaardigd zijn: als het een legitiem doel dient (bijvoorbeeld de bescherming van de gezondheid van anderen) en als het onderscheid een passend en noodzakelijk middel vormt om dat doel te bereiken.

Belang van (volks)gezondheid kan inbreuken op vrijheidsrechten en ongelijke behandeling rechtvaardigen

Bij de mensenrechten staat de individuele vrijheid vaak voorop. Uitgangspunt is dat mensen vrij zijn om de keuzes te maken die passen bij hun eigen overtuigingen over wat een goed en gezond leven is. Daarom moet de overheid de keuzes van ouders respecteren, en mag ze ouders niet dwingen om keuzes te maken die ingaan tegen hun ideeën of geloofsovertuiging. Anders ligt het echter als die keuzes schadelijke gevolgen hebben voor anderen of als het recht op gezondheid van die anderen in het geding komt.

Het recht op gezondheid en de door het Kinderrechtenverdrag beschermde belangen van het kind, verplichten staten om zich vergaand in te spannen om zo goed mogelijke preventieve maatregelen te treffen ter voorkoming van de verspreiding van besmettelijke ziektes. Dat soort maatregelen kunnen gepaard gaan met dwang en met inbreuken op vrijheidsrechten: de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging, het recht op lichamelijke integriteit en persoonlijke autonomie.

Eisen Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

Zo’n inbreukmakende dwangmaatregel moet dan wel voldoen aan de eisen die onder meer het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens daaraan stelt. Een inbreuk is slechts gerechtvaardigd als die in een wet geregeld is en een legitiem doel heeft, zoals de bescherming van de volksgezondheid en de rechten en vrijheden van anderen. Bovendien moet er een ‘dwingende maatschappelijk noodzaak’ voor de inbreuk zijn en moet de maatregel in evenredige verhouding staan tot het daarmee nagestreefde doel.

Toegepast op eventuele dwangmaatregelen rond vaccinatie, betekent dit dat bezien moet worden of het toepassen van dwang echt noodzakelijk is vanwege een urgent volksgezondheidsbelang of ter bescherming van de gezondheid van anderen. Kan dit doel ook worden bereikt met andere, minder ingrijpende, maatregelen? Weegt de inbreuk op bepaalde vrijheidsrechten die gemaakt wordt en de belasting die daaruit voor individuen voortvloeit op tegen de gezondheidswinst van individuen en de bevolking als geheel?

Als aan genoemde voorwaarden wordt voldaan, is een beperking van het betreffende mensenrecht geoorloofd. Ook onderscheid of discriminatie die voortvloeit uit het stellen van vaccinatie-eisen zal dan gerechtvaardigd zijn. In dat verband zal een medisch-wetenschappelijke inschatting van bijvoorbeeld besmettingsrisico’s een belangrijke rol spelen.

Conclusie: mensenrechten wijzen niet op voorhand in de richting van een bepaald standpunt voor- of tegen (verplichte) vaccinatie

Enerzijds kan uit het recht op gezondheid en de bescherming van de belangen van het kind, een plicht voor de overheid voortvloeien om zo nodig over te gaan tot toepassing van dwang. Als dat gebeurt, is sprake van een inbreuk op enkele vrijheidsrechten: vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, recht op lichamelijke integriteit en persoonlijke autonomie.

Wil zo’n inbreuk gerechtvaardigd zijn, moet onder meer worden aangetoond dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om gezondheidsrisico’s voldoende in te dammen zonder over te gaan tot dwangmaatregelen. In het algemeen geldt namelijk dat toepassing van dwang pas toegestaan is als het doel niet bereikt kan worden met mildere middelen als voorlichting en overreding.

Veel zal dus afhangen van de medisch-wetenschappelijke onderbouwing van de noodzaak om over te gaan tot dwangmaatregelen. Daarbij moet worden opgemerkt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de Europese rechter die toetst of inbreuken op EVRM-rechten niet te ver gaan, de nationale autoriteiten veel beoordelingsruimte gunt om te beslissen of een bepaalde dwangmaatregel noodzakelijk en evenredig is. De zogenoemde margin of appreciation. Hoewel er diverse Europese landen zijn die een vaccinatieplicht voor bepaalde ziekten kennen, heeft het Hof tot nu toe niet geoordeeld dat die vaccinatieplicht een schending van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens oplevert.

Kortom: mensenrechten wijzen niet op voorhand in de richting van een bepaald standpunt voor- of tegen (verplichte) vaccinatie.

Onderwerpen vaccineren