Bewindspersonen moeten meer doen om seksuele intimidatie te voorkomen en aan te pakken

1 februari 2022 - Laatste update 19 april 2022

In een brief aan ministers van de ministeries van Sociale Zaken & Werkgelegenheid, Binnenlandse Zaken & Koninkrijksrelaties, Onderwijs, Cultuur & Wetenschap, Volksgezondheid, Welzijn & Sport en Justitie & Veiligheid en aan de staatssecretaris van Cultuur & Media dringt het College voor de Rechten van de Mens erop aan dat de overheid meer doet om seksuele intimidatie te voorkomen en aan te pakken. “Het is van belang dat u en uw departementen gecoördineerd dit onderwerp bespreekbaar maken, aan preventie werken, ervoor zorgen dat slachtoffers goed worden opvangen en dat meldingen zorgvuldig worden onderzocht,” zo schrijft het College.

Het College vindt onder andere dat er wetgeving moet komen die de aanstelling van een vertrouwenspersoon in een bedrijf verplicht maakt. Daarnaast is een voortvarende behandeling van het wetsvoorstel seksuele misdrijven nodig en de goedkeuring en uitvoering van het ILO-verdrag 190. Dat laatste zal leiden tot een betere rechtsbescherming van werknemers in het algemeen en vrouwelijke werknemers in het bijzonder. Lees de brief: Aanpak seksuele intimidatie.

Wettelijke verantwoordelijkheid werkgevers en aanbieders van diensten

Werkgevers en aanbieders van diensten hebben een wettelijke verplichting om te zorgen voor een veilig (werk-)klimaat en moeten maatregelen nemen die mensen beschermen tegen seksuele intimidatie.

In de Nederlandse gelijkebehandelingswetgeving wordt seksuele intimidatie als een vorm van discriminatie op grond van geslacht aangemerkt. Het College kan in een geval van seksuele intimidatie in een werkomgeving of bij het aanbieden van een dienst een onderzoek instellen als hierom wordt verzocht. Dat leidt dan tot een oordeel waarin staat of de organisatie in kwestie in strijd heeft gehandeld met de gelijkebehandelingswetgeving. Het gaat in deze procedure dus niet om het ‘aanklagen’ van individuele personen, maar om de verantwoordelijkheid van de organisatie of het bedrijf waarbinnen de seksuele intimidatie plaatsvond.

Oordeel: Seksuele intimidatie

Zoals in een zaak in 2021 waarbij een vrouw een klacht indiende over seksuele intimidatie door haar collega nadat ze eerder melding ervan had gedaan bij haar werkgever (oordeel 2021-28). Het College oordeelde dat de seksuele intimidatie aan de werkgever kon worden aangerekend, omdat de werkgever weinig duidelijkheid had gegeven over wat er met de melding van de vrouw was gedaan.

In een eerdere zaak uit 2016 klaagde een vrouw over seksuele intimidatie door haar direct leidinggevende, de directeur (oordeel 2016-114). De directeur had moeten voorkomen dat een situatie ontstond waarin van zijn kant sprake was van seksueel getinte gedragingen. Gedrag waaraan de vrouw zich vanwege de gezagsrelatie niet of moeilijk kon onttrekken. De directeur creëerde een bedreigende situatie voor de vrouw waarmee haar waardigheid werd aangetast. Daarom oordeelde het College dat er sprake was van seksuele intimidatie.

In de hierboven geschetste voorbeelden namen werkgevers hun verantwoordelijkheid niet om te zorgen voor een veilige omgeving. Meer over het creëren van een veilige omgeving en een effectieve klachtafhandeling lees je hier:

Praat erover

Heb je te maken gehad met seksueel grensoverschrijdend gedrag op je werk of bij een aanbieder van diensten, of twijfel je erover? Ook bij het College voor de Rechten van de Mens kun je je verhaal doen. Wij luisteren naar je en denken mee over wat je verder kunt doen en wat we voor je kunnen betekenen. Voor het vaststellen of sprake is geweest van seksuele intimidatie in de zin van het gelijkebehandelingsrecht gelden niet dezelfde (strenge) bewijsregels als binnen het strafrecht. Daarnaast is de procedure laagdrempelig en kosteloos.