College stopt procedure bij rechter

3 februari 2020 - Laatste update 10 augustus 2020

In augustus 2019 berichtte het College voor de Rechten van de Mens dat het een zaak had voorgelegd aan de rechter die belangrijk is voor de bescherming van vrouwen tegen zwangerschapsdiscriminatie. Het College is bevoegd om zo’n rechterlijke procedure te starten op basis van artikel 13 van de Wet College voor de Rechten van de Mens. Het College heeft nu evenwel besloten deze zaak niet door te zetten, omdat het niet mogelijk is gebleken om ondubbelzinnig bewijs te leveren van een voor deze zaak essentieel feit.

Het draait in deze zaak om het zogeheten uitzendbeding. Dit houdt in dat de uitzendovereenkomst ‘van rechtswege’ eindigt bij arbeidsongeschiktheid. Dat wil zeggen dat de uitzendovereenkomst van iemand die door ziekte, of wat voor andere reden dan ook, niet in staat is te werken met onmiddellijke ingang wordt geacht te zijn geëindigd op verzoek van de opdrachtgever. Volgens het College mag dit beding niet worden toegepast als het gaat om een vrouw die niet kan werken vanwege een zwangerschap (denk aan bevallingsverlof of een zwangerschapsgerelateerde ziekte). Het College sprak zich hierover uit in oordeel 2018-38.

Bewijs van discriminatie op grond van zwangerschap

De zaak die het College voor de rechter wilde brengen betrof een vrouw die zwanger was en op een bepaald moment niet kon werken omdat zij in het ziekenhuis moest worden opgenomen voor een operatie. Helaas is in de voorbereiding van de terechtzitting gebleken dat er weliswaar allerlei indicaties waren dat die ziekenhuisopname gerelateerd was aan haar zwangerschap, maar dat dit niet ondubbelzinnig uit het medisch dossier blijkt en dat het niet (meer) mogelijk is om daarover uitsluitsel te krijgen van de artsen en verloskundigen die – enkele jaren geleden – betrokken waren bij de medische behandeling van de vrouw. Daarom meent het College dat deze zaak zich nu – helaas – toch niet goed leent voor een principiële rechterlijke uitspraak over toepassing van het uitzendbeding jegens een vrouw die vanwege haar zwangerschap niet in staat is te werken. 

Botsende regels

Het was het College er in deze rechterlijke procedure niet om te doen het uitzendbureau dat indertijd gebruik maakte van het uitzendbeding ‘veroordeeld te krijgen’. Het uitzendbureau heeft laten weten van oordeel te zijn dat zijn handelswijze juridisch is toegestaan op basis van de bepalingen omtrent het uitzendbeding in het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:691) en in de cao van de Algemene Bond van Uitzendbedrijven (ABU). 

Het College meent evenwel dat deze regels in geval van een zwangere vrouw niet onverkort mogen worden toegepast, omdat dat in strijd komt met het discriminatieverbod. Aangezien er door arbeidsrechtjuristen verschillend over gedacht wordt welke regel in zo’n geval voorrang heeft, vond en vindt het College het vooral belangrijk dat er door een rechterlijke uitspraak op dit punt juridische duidelijkheid komt. Het College wacht nu op een nieuwe casus om deze principiële juridische kwestie aan de rechter voor te leggen.

Meer informatie