Hoe staat het met kinderrechten in Nederland? Het College rapporteert

1 juli 2019 - Laatste update 2 juli 2019

Het College voor de Rechten van de Mens heeft op 1 juli 2019 een rapport ingediend over de naleving van het Kinderrechtenverdrag in Nederland. Het College geeft hiermee input aan het Kinderrechtencomité van de Verenigde Naties die de naleving van het verdrag door Nederland onderzoekt.

Kinderen op school

In het Kinderrechtenverdrag staan veel rechten van kinderen. Het College behandelt er daarvan een aantal. Met de meeste kinderen in Nederland gaat het goed, maar er zijn ook kinderen van wie de mensenrechten in de knel komen. De regering heeft belangrijke onderwerpen zoals kindermishandeling en armoede onder kinderen hoog op de agenda staan en daarvoor beleidsplannen gemaakt. Maar het is niet altijd duidelijk hoe die plannen precies gaan bijdragen aan de oplossing van het probleem en hoe de regering de voortgang – of het gebrek aan daaraan – monitort en de plannen aanpast wanneer dat nodig is. Verder is er een aantal kwesties waarvoor het College aandacht vraagt.

Kinderen die staatloos zijn

Als je geen nationaliteit hebt, staan je mensenrechten onder druk. Daarom zijn er regels om te voorkomen dat mensen niet staatloos zijn. En, wanneer zij dat toch zijn geworden, dat zij het recht hebben op toegang tot een nationaliteit. Daarvoor is nodig dat formeel wordt vastgesteld dat zij staatloos zijn (de zogeheten vaststellingsprocedure). Nederland heeft daarvoor geen wettelijke procedure. Dat heeft tot gevolg dat kinderen zijn geregistreerd met ‘nationaliteit onbekend’. Zij hebben niet de Nederlandse nationaliteit - ook al zijn veel van hen in Nederland geboren - en kunnen niet aantonen dat ze geen enkele andere nationaliteit hebben.

Het Kinderrechtencomité heeft Nederland hier in 2014 al op aangesproken. Het gaf toen als aanbeveling aan de regering om de wet aan te passen. Sinds 2016 is er een wetsvoorstel, maar dat is niet in overeenstemming met de aanbevelingen van het Comité. Het zal niet de mensenrechten van alle betrokken kinderen voldoende beschermen. Het College heeft dit punt daarom opnieuw onder de aandacht gebracht.

LHBTI-kinderen

Vergeleken met veel andere landen is Nederland tolerant voor volwassenen en kinderen die homo of lesbisch zijn en voor transgender kinderen. Toch ervaren ook in Nederland deze kinderen problemen. Zij hebben vaker dan heteroseksuele kinderen te kampen met psychische problemen. Op school hebben zij vaker te maken met pesten en discriminatie.

Onderwijs

Onder het kopje onderwijs vraagt het College aandacht voor het recht op gelijke toegang tot onderwijs. Er doen zich ongelijkheden voor tussen kinderen uit rijke en armere gezinnen. Kinderen van minder rijke ouders krijgen geregeld een te laag schooladvies. Ook komt discriminatie bij het toewijzen van stageplekken voor, vaak op basis van afkomst of geloof. Een ander probleem is de zogeheten vrijwillige ouderbijdrage voor extra activiteiten. Niet iedereen kan die bijdrage betalen. Als een kind dan wordt uitgesloten van deelname, kun je niet zeggen dat de bijdrage ‘vrijwillig’ is.

Een ander aandachtspunt is de toegang tot het onderwijs voor kinderen met een beperking. Scholen zijn te vaak niet bereid of niet in staat een redelijke aanpassing te doen om het mogelijk te maken dat een kind met een beperking naar een gewone school gaat en niet is aangewezen op het speciaal onderwijs. Ook zijn er kinderen die vanwege een beperking of de behoefte aan speciale zorg en ondersteuning helemaal niet naar school gaan.

Kinderen in armoede

Veel kinderen in Nederland, zowel in Europees als Caribisch Nederland, groeien op in armoede. Voor een aanzienlijk aantal van hen geldt dat zij in langdurige armoede leven. Dat heeft ernstige gevolgen voor hun mensenrechten. Bijvoorbeeld voor hun lichamelijke en geestelijke gezondheid, huisvesting, onderwijs en deelname aan de samenleving. Het is belangrijk dat hiervoor een structurele oplossing komt, om de cirkel van armoede te doorbreken.

Wat houdt de rapportageprocedure in?

Alle landen die partij zijn bij dit verdrag moeten elke vijf jaar een rapport opstellen om te laten zien hoe het gaat met de kinderrechten. Dat geldt ook voor Nederland. Het Kinderrechtencomité bestudeert dat rapport en bespreekt het vervolgens met de regering. Het College is het Nationale Mensenrechteninstituut van Nederland en mag daarom een eigen rapport indienen. Ook de Kinderombudsman en kinderrechtenorganisaties mogen dat doen. De Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld heeft ook een rapport opgesteld. Al die informatie gebruikt het Kinderrechtencomité om de bespreking met de regering voor te bereiden.

We zijn nu in de fase die voorafgaat aan het opstellen van het regeringsrapport. Het Kinderrechtencomité gaat de informatie die nu is ingediend begin oktober 2019 bestuderen. De organisaties die informatie hebben ingediend mogen dan bij het Comité komen om hun punten mondeling toe te lichten en vragen te beantwoorden. Het Kinderrechtencomité maakt dan een lijst met vragen die het aan de regering stuurt. De regering moet die vragen schriftelijk beantwoorden: dat is het rapport van de regering. Als dat er is, mogen het College en de andere organisaties nog een keer informatie aanleveren bij het Comité. Vervolgens bespreekt het Comité het rapport van de regering in een openbare bijeenkomst. Het is nog niet bekend wanneer die zal plaatsvinden.

Lees het rapport: Report to the Committee on the Rights of the Child pre-sessional working group for adoption of the list of issues prior to reporting for the Kingdom of The Netherlands (5th and 6th report).

Wat hebben andere organisaties gedaan:

Lees ook de berichten van het Kinderrechtencollectief, de Kinderombudsman en de Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen.