Een foto van demonstranten, een demonstrant draagt een meisje op de schouders
Dossier

Vrijheid van meningsuiting

De vrijheid van meningsuiting en het recht om te demonstreren zijn vaak in het nieuws. Het zijn belangrijke rechten voor een vrij en democratisch land. Het recht op vrijheid van meningsuiting is dan ook een van de bekendste mensenrechten. Uit onderzoek van het College blijkt dat veel mensen deze vrijheden heel waardevol vinden, maar dat de waardering voor een bepaalde uiting of demonstratie wel afhankelijk kan zijn van het onderwerp. De vrijheid van meningsuiting heeft grenzen, maar waar liggen die? Wat mag je wel en niet zeggen en wie bepaalt dat?

Vastgelegd in de Grondwet: geen toestemming nodig van de overheid

De vrijheid van meningsuiting is in Nederland beschermd in artikel 7 van de Grondwet. Dit grondwetsartikel regelt in de eerste plaats dat niemand vooraf toestemming van de overheid nodig heeft om iets te schrijven of te zeggen. Dat noemen we het verbod van censuur. Dat censuurverbod is vooral belangrijk omdat het ruimte geeft om kritiek te uiten, ook op de regering of andere overheidsinstanties. Daarom is dit recht zo belangrijk voor het functioneren van de democratie. De vrijheid van meningsuiting beschermt ook het uiten van meningen waar de overheid, of zelfs een groot deel van de bevolking het niet mee eens is. Zelfs als uitingen als kwetsend, schokkend of verontrustend worden ervaren, mogen ze ‘geuit’.

Grenzen aan de vrijheid

Toch zijn er grenzen aan de vrijheid van meningsuiting. Artikel 7 Grondwet bepaalt dat alleen de wet grenzen kan stellen aan de inhoud van uitingen. Met ‘wet’ wordt hier bedoeld: een nationale wet vastgesteld door de regering en het parlement. Regels van gemeenten of provincies mogen zich niet bemoeien met de inhoud van uitingen, hoogstens met de manier waarop uitingen worden verspreid. Denk aan lokale wetgeving (verordeningen) die verbiedt dat er in het wilde weg posters geplakt worden.

Wanneer een uiting strafbaar is

De belangrijkste wet die grenzen stelt aan de inhoud van uitingen is het Wetboek van Strafrecht (Sr). Wat is er strafbaar?

  • openbare beledigende uitlatingen ­– mondeling of schriftelijk – over groepen mensen  vanwege hun ras, godsdienst of levensovertuiging, seksuele gerichtheid of handicap (artikel 137c Sr)
  • openbare uitingen die aanzetten tot haat, discriminatie of geweld tegen mensen vanwege hun ras, godsdienst of levensovertuiging, geslacht, seksuele gerichtheid of  handicap (artikel 137d Sr),
  • het opruien tot geweld (artikel 131 Sr)
  • het plegen van strafbare feiten (artikel 132 Sr)
  • smaad (artikel 261 Sr)
  • laster (artikel 262 Sr) en belediging van een individu (artikel 266 Sr)
  • het opzettelijk beledigen van de Koning of verwanten* (artikel 111-113 Sr)

*De Tweede Kamer is echter in april 2018 akkoord gegaan met een wetsvoorstel op dit zogenoemde ‘verbod van majesteitsschennis’ af te schaffen. Het wetsvoorstel is nu in behandeling in de Eerste Kamer. Lees hier meer. 

De rechter bewaakt de grens

Soms moet de uitingsvrijheid worden afgewogen tegen een ander recht of belang om te bepalen wat er mag. Een rechter moet bepalen welk recht er zwaarder weegt, als het ene recht in strijd is met het andere. Bijvoorbeeld als de vrijheid van meningsuiting het verbod van discriminatie of haatzaaien raakt (zie art. 137 c en 137d Sr) of het recht op bescherming van iemands reputatie (zie de wetsartikelen over smaad en laster). Uiteindelijk is het de rechter die per geval – en pas achteraf – kan bepalen of een uiting strafbaar is. De rechter neemt in zijn oordeel mee:

  • wat de exacte inhoud van de uiting is;
  • wie de uiting doet;
  • in welke context dit gebeurt;
  • wat de gevolgen zijn voor degene die door een uiting wordt geraakt.
     

Vrijheid van meningsuiting internationaal

Ook internationaal is het recht op vrijheid van meningsuiting vastgelegd, onder meer in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Over dit artikel zijn veel uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Deze uitspraken zijn ook in Nederland van grote invloed op de manier waarop de uitingsvrijheid beschermd wordt.

Het Europees Hof maakt net als Nederlandse rechters onderscheid tussen wie een uiting doet, op wat voor manier en met wat voor doel. Zo zijn (journalistieke) bijdragen aan ‘een publiek debat over onderwerpen van algemeen belang’ meer beschermd dan reclame en commerciële uitingen. Het Hof vindt dat diversiteit in opvattingen, tolerantie en ruimdenkendheid noodzakelijk zijn voor een democratische samenleving.

Online uitingen

Online kan een uiting zich als een lopend vuurtje verspreiden. Ook als die haatzaaiend is of oproept tot geweld. Daarnaast is er ‘fake news’: online campagnes met desinformatie die bedoeld zijn om wantrouwen, verwarring en verdere maatschappelijke verdeeldheid te zaaien. Vanuit de mensenrechten kunnen er goede redenen zijn om de verspreiding van dergelijke uitingen tegen te gaan. Beheerders van internetplatforms en sociale media spelen hierbij een belangrijke rol.

Kans op censuur

Echter, wanneer internetbedrijven meer uitingen gaan blokkeren of verwijderen dan juridisch en mensenrechtelijk noodzakelijk is, ontstaat een risico op censuur. Dat risico wordt groter als de wet dreigt met zware boetes of straffen tegen die bedrijven. Een ander risico op censuur zijn vage begrippen worden gebruikt om de inhoud van te blokkeren uitingen te benoemen: extremisme, blasfemie, belediging, kwetsende uitingen, propaganda, etc. Een te grote inperking van de vrijheid van meningsuiting, ligt dan op de loer: internetbedrijven zullen dan liefst het zekere voor het onzekere nemen en controversiële uitingen weren.

De VN-Speciaal Rapporteur inzake de vrijheid van meningsuiting pleit ervoor om zulke beslissingen niet door internetbedrijven zelf te laten nemen, maar door de rechter. In ieder geval zou zo’n beslissing aangevochten moeten kunnen worden bij een rechterlijke instantie. Het College onderschrijft dit.

Het recht om te demonstreren

Demonstreren: met meerdere personen tegelijk in het openbaar samenkomen om te zeggen wat je wilt oftewel een betoging organiseren, is ook een vorm van meningsuiting. Deze uitingsvorm is beschermd in onder meer:

Ook dit recht is niet onbegrensd. Volgens artikel 9 Grondwet kan de wet regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en om wanordelijkheden te bestrijden of te voorkomen. De wet die in Nederland vreedzame betogingen regelt is de Wet openbare manifestaties (WOM).

Geen inhoudelijke toestemming nodig

In die wet is geregeld dat er geen toestemming van de overheid nodig is om te mogen betogen. Het is daarentegen wel vereist dat de burgemeester op de hoogte wordt gebracht dát er gedemonstreerd gaat worden. Zo kan hij of zij de ordehandhaving organiseren. De burgemeester mag daarbij vragen naar het onderwerp van of de reden voor de demonstratie. Dat kan van belang zijn voor het inschatten van risico’s. Echter, de inhoud van uitingen tijdens de demonstratie hoeft niet van te voren besproken te worden.

Grenzen aan de demonstratievrijheid

De WOM biedt net als artikel 9 Grondwet een burgemeester de mogelijkheid een demonstratie in te perken. Bijvoorbeeld wat betreft tijdstip, tijdsduur, locatie of de te volgen route voor een protestmars. Uitgangspunt daarbij is wel dat de burgemeester zich samen met de politie moet inspannen om de demonstratie te faciliteren.

Demonstranten beschermen

Het moet de demonstranten mogelijk gemaakt worden om te demonstreren. Als het nodig is moeten ze beschermd worden tegen een vijandig publiek of tegen agressieve tegendemonstranten. Ook moeten ze de kans krijgen te demonstreren op een tijd en plaats die de mogelijkheid biedt om de aandacht van het publiek te trekken: een burgemeester mag een demonstratie dus niet ‘verbannen‘ naar een onaantrekkelijk tijdstip of een afgelegen gedeelte van de gemeente waar niemand komt.

Demonstraties beëindigen

Artikel 11 EVRM beschermt het recht van ‘vreedzame’ demonstratie. De demonstratievrijheid omvat dus geen recht op geweldpleging of vernielingen. Net als bij de uitingsvrijheid bevat artikel 11 EVRM de eis dat een beperking alleen toelaatbaar is als die echt noodzakelijk is en niet verder gaat dan nodig met het oog op het nagestreefde legitieme doel. Zo heeft het Europees Hof geoordeeld dat een zekere mate van (verkeers-)hinder of (geluids-)overlast bij een demonstratie hoort. Dat alleen is niet voldoende voor een verbod.

Het College voor de Rechten van de Mens

Het College kan geen juridisch oordeel geven op individuele klachten van personen die menen dat hun vrijheid van meningsuiting of demonstratievrijheid is geschonden. Wel stelt het College regelmatig rapporten op over de manier waarop in Nederland wordt omgegaan met de uitingsvrijheid of de demonstratievrijheid. In die rapporten kan het College aanbevelingen doen aan de overheid, zowel op nationaal als op lokaal niveau.