Dossier

Vrijheid van meningsuiting

De vrijheid van meningsuiting is een van de bekendste mensenrechten en heeft op veel verschillende onderwerpen betrekking. Denk bijvoorbeeld aan persvrijheid, desinformatie en de bijzondere positie van politici. Het is belangrijk dat je kunt zeggen en schrijven wat je vindt. Maar soms ontstaat er ook discussie over een uitlating die iemand in het openbaar, al dan niet online heeft gedaan. Denk bijvoorbeeld aan de ophef die ontstond over uitspraken over de anti-racismedemonstraties tijdens het tv-programma Veronica Inside. Of aan de grote hoeveelheid seksistische berichten waar vrouwelijke politici online mee te maken krijgen. Mag je echt alles zeggen wat je vindt, of zijn er ook grenzen? En wie bepaalt dan wat die grenzen zijn? Op deze pagina geeft het College meer uitleg over dit aspect van het recht op vrijheid van meningsuiting.

Wat is het recht op vrijheid van meningsuiting?

De vrijheid hebben om te zeggen en schrijven wat je vindt en om informatie te ontvangen en verspreiden, is cruciaal voor een democratisch land. Het biedt burgers de mogelijkheid zich een mening te vormen over onderwerpen die spelen in de maatschappij en deel te nemen aan het publieke debat. De vrijheid van meningsuiting geldt ook online. De online wereld is tegenwoordig bij uitstek een plek waar mensen zich uiten, bijvoorbeeld door te reageren op (nieuws)berichten en door informatie te delen.

In Nederland is het recht op vrijheid van meningsuiting beschermd in artikel 7 van de Grondwet en daarnaast is ook in verschillende internationale verdragen de vrijheid van meningsuiting opgenomen. Bijvoorbeeld in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). In artikel 7 van de Grondwet staat dat niemand voorafgaand toestemming nodig heeft van de overheid om iets te zeggen of te schrijven in het openbaar. De overheid mag in beginsel dus niet tevoren controleren wat iemand wel en niet mag zeggen. Dit is vooral belangrijk omdat de uitingsvrijheid zo ruimte geeft om kritiek te uiten, ook op de regering of andere overheidsinstanties.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in rechtspraak uitgelegd dat sommige groepen mensen extra bescherming genieten als zij hun mening uiten of informatie verspreiden. Dit geldt bijvoorbeeld voor journalisten. Volgens het EHRM vervullen journalisten een belangrijke rol in een democratie, omdat zij berichten over zaken van algemeen belang.

Ook voor politici geldt dat zij een ruime uitingsvrijheid hebben. Politici moeten kritiek kunnen uitoefenen op het beleid en standpunten over de inrichting van de samenleving kunnen uitdragen. Anderzijds heeft het EHRM ook gezegd dat politici vanwege hun belangrijke maatschappelijke functie moeten vermijden dat hun publieke uitingen intolerantie tegen bepaalde groepen voeden.

Mag je alles zeggen?

Onder de vrijheid van meningsuiting vallen ook uitingen die mensen als kwetsend, schokkend of verontrustend kunnen ervaren. Toch zijn er ook grenzen aan de vrijheid van meningsuiting. In artikel 7 van de Grondwet staat dat de wet grenzen kan stellen aan de vrijheid van meningsuiting. Ook artikel 10 EVRM biedt ruimte om de vrijheid van meningsuiting te beperken. Hiervoor gelden verschillende eisen. Zo moet de beperking in de wet zijn geregeld, moet deze een legitiem doel dienen, moet de maatregel noodzakelijk zijn en mag de inperking niet verder gaan dan nodig is om het doel te bereiken.

In Nederland zijn in het Wetboek van Strafrecht (Sr) grenzen gesteld aan de inhoud van uitingen. Het gaat daarbij om uitingen die zo schadelijk zijn voor individuen en de samenleving, dat mensen daarvoor gestraft kunnen worden. Zo is het verboden om in het openbaar groepen mensen te beledigen of aan te zetten tot haat, discriminatie of geweld tegen mensen vanwege hun ras, godsdienst of levensovertuiging, seksuele gerichtheid of handicap (artikel 137c en d Sr).

Verder zijn ook het opruien tot geweld (artikel 131 Sr), smaad (artikel 261 Sr), laster (artikel 262 Sr) en belediging van een individu verboden (artikel 266 Sr). Ook het civiel recht stelt in het Burgerlijk Wetboek (BW) grenzen aan de inhoud van uitingen. Bijvoorbeeld wanneer sprake is van aantasting van de eer of goede naam van een persoon (artikel 6:106 BW), of wanneer een rectificatie nodig is vanwege onjuiste informatie in een publicatie (artikel 6:167 BW).

De rechter bewaakt de grens

Het komt voor dat iemand een stuk publiceert waardoor mensen zich gekwetst of gediscrimineerd voelen. De auteur stelt zich dan op het standpunt dat hij dit moet kunnen zeggen, omdat hij het recht heeft op vrijheid van meningsuiting, terwijl een ander vindt dat de uitspraak niet door de beugel kan omdat hij het recht heeft niet te worden gediscrimineerd. Er is dan sprake van botsende belangen. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin een cabaretier bepaalde grappen maakt, of een gelovige religieuze opvattingen uit die door een groep mensen als kwetsend wordt ervaren.

Uiteindelijk is het aan de rechter om te bepalen of een bepaalde uiting wel of niet onder de vrijheid van meningsuiting valt. De rechter neemt in zijn oordeel verschillende aspecten mee. De rechter kijkt naar de exacte inhoud van de uiting, wie de uiting doet, in welke context dit gebeurt en wat de gevolgen zijn voor degene die door een uiting wordt geraakt. Zo oordeelde de Hoge Raad dat een vrouw die op een markt had geroepen dat moslims terroristen zijn terecht was veroordeeld wegens belediging. De uitlating had de strekking om moslims in een kwaad daglicht te stellen bij het publiek en hen als groep te treffen. Daarnaast kon de uiting volgens de Hoge Raad niet worden gezien als een artistieke expressie of bijdrage aan het maatschappelijk debat.

Wat moet de overheid doen?

Zoals gezegd betekent de vrijheid van meningsuiting dat geen toestemming nodig is van de overheid om iets te zeggen of schrijven. Maar de overheid mag ook grenzen stellen. Dit kan nodig zijn om de vrije meningsuiting te beschermen. Bijvoorbeeld wanneer mensen zich niet meer durven te uiten omdat zij in reactie op hun uitingen telkens geconfronteerd worden met beledigende, haatdragende of bedreigende berichten. De overheid moet handhavend optreden wanneer uitingen niet onder de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting vallen en strafbaar zijn. Zo zijn verschillende personen die onder een Facebook-post van journaliste Clarice Gargard opruiende, beledigende en discriminerende uitlatingen hebben geplaatst veroordeeld.

Met betrekking tot de online-wereld is er steeds meer aandacht voor de verantwoordelijkheid van de overheid als het gaat om het toezicht op het plaatsen en verspreiden van berichten online. Steeds meer overheden eisen van internetplatforms dat ze bepaalde politieke, religieuze of andersoortige uitingen (denk aan desinformatie of fake news) verwijderen of aanpassen (online content moderation).

Omdat berichten zich online heel snel kunnen verspreiden onder een breed publiek, neemt de druk op internetplatforms toe om strafbare of anderszins ongerechtvaardigde uitingen al ‘weg te filteren’ voordat deze geplaatst worden. Hierdoor bestaat het risico dat bedrijven meer uitingen blokkeren of verwijderen dan vanuit de vrijheid van meningsuiting bezien noodzakelijk is.

De VN-Rapporteur inzake de vrijheid van meningsuiting wees in zijn rapport over dit onderwerp op de verplichting van staten om burgers in staat te stellen hun rechten uit te oefenen en ervoor te zorgen dat bedrijven de mensenrechtenstandaarden in alle fases van hun werk toepassen. Zo moet worden voorkomen dat de vrijheid van meningsuiting te vergaand wordt aangetast door online blokkades.

Anderzijds kan een uiting zich online als een lopend vuurtje verspreiden, ook als die beledigend of haatzaaiend is, of oproept tot geweld. Het risico dat door dit soort uitingen de rechten en vrijheden van anderen worden aangetast is reëel. Uit een onderzoek naar online haatberichten gericht aan vrouwelijke politici blijkt bijvoorbeeld dat vrouwen disproportioneel meer haatberichten ontvangen dan mannelijke politici en dat deze berichten ook vaker persoonlijker zijn. Ook vrouwelijke journalisten krijgen veel te maken met online bedreigingen.

Hoewel niet alle uitingen strafbaar zullen zijn is een ernstig risico wel dat slachtoffers zich niet meer vrij durven te uiten als zij veelvuldig worden geconfronteerd met dit soort berichten. Vrouwelijke journalisten die te maken hebben gehad met online bedreigingen, schrijven soms niet meer over bepaalde onderwerpen of schrikken ervoor terug zich nog te uiten op sociale media. Verschillende internationale instanties, zoals de Raad van Europa en het Europees Comité tegen Racisme en intolerantie, bevelen aan om meer te doen tegen online seksisme en haatberichten. In alle gevallen is noodzakelijk dat een besluit om berichten van het internet te verwijderen kan worden aangevochten bij de rechter.

Samenvattend

Het recht op vrijheid van meningsuiting is van groot belang in een democratisch land. Het biedt burgers de mogelijkheid om kritiek te uiten op de overheid, informatie tot zich te nemen en te verspreiden en deel te nemen aan het publieke debat. Onder de vrijheid van meningsuiting vallen ook uitingen die als kwetsend of schokkend worden ervaren. Er is echter geen vrijbrief om alles te zeggen. Het is bijvoorbeeld verboden om mensen te beledigen of aan te zetten tot haat. Uiteindelijk is het aan de rechter om te bepalen of een bepaalde uiting wel of niet onder de vrijheid van meningsuiting valt.

Foto credits: Ehimetalor Akhere Unuabona - Unsplash