Coronavirus als grijs bolletje met rode uitstulpsels
Dossier

Coronavirus en mensenrechten

De regering heeft vergaande maatregelen genomen in de aanpak van het coronavirus. Dat betekent dat een aantal vrijheidsrechten is ingeperkt. In dit dossier beantwoordt het College een aantal vragen daarover.

  1. Welke vrijheidsrechten zijn in het geding?
  2. Mag de regering zulke ingrijpende maatregelen treffen?

  3. Hoe ver mogen de vrijheidsbeperkingen gaan?

  4. Welke wetten vormen de basis voor de maatregelen?

  5. Is de huidige wettelijke basis stevig en duidelijk genoeg?

  6. Waarom roept de regering geen noodtoestand uit?

  7. Gaan de vrijheidsbeperkingen niet veel verder dan toegestaan volgens mensenrechtenverdragen?

  8. Is (thuis)quarantaine een vorm van vrijheidsbeneming?

  9. Functioneren de rechtstatelijke controlemechanismen nog voldoende?

  10. Functioneert de rechtspraak nog voldoende?

  11. Wie is verantwoordelijk voor het corona-beleid in het Caribisch deel van het Koninkrijk?

  12. Welke andere mensenrechten zijn in deze situatie van belang?

  13. Welke mensenrechtelijke grenzen gelden bij het gebruik van een traceer-app?

  14. Gezondheidscontroles als voorwaarde voor toegang tot gebouwen of diensten: mag dat?

  15. Kan ik straks nog het OV in met mijn hoofddoek als ik daar ook verplicht ben een mondkapje te dragen? Of kom ik dan in strijd met het verbod op gezichtsbedekking?

  16. Mag een demonstratie zomaar afgelast worden vanwege Corona?

  17. Wat moet de overheid doen om armoede door corona te voorkomen en te bestrijden?

  18. Zijn de bezoekregelingen van zorginstellingen in strijd met mensenrechten?

In korte tijd hebben duizenden mensen in ons land het coronavirus opgelopen. Voor een deel van deze mensen heeft de ziekte COVID-19 die door het virus wordt veroorzaakt dusdanig ernstige gevolgen dat zij op de intensive care belanden of zelfs komen te overlijden. Medisch personeel werkt gigantisch hard om zieken te behandelen en het lijden te verlichten. Tegelijkertijd zien we dat ook buiten de ziekenhuizen mensen zijn overleden terwijl zij klachten hadden die wijzen op het coronavirus. In het bijzonder in de verpleeghuizen is sprake van hogere sterftecijfers dan normaal. De strenge vrijheidsbeperkende maatregelen die de overheid de afgelopen weken heeft gehanteerd hadden met name tot doel om groepen mensen die vanwege ziekte of ouderdom extra kwetsbaar zijn als zij besmet zouden worden, af te schermen. Daarnaast was het indammen van de verspreiding van het virus noodzakelijk om te voorkomen dat het systeem van de gezondheidszorg, met name in de ziekenhuizen, volkomen overbelast zou raken en er geen capaciteit zou zijn om alle COVID-19 patiënten te behandelen.

Nu de ergste piek in besmettingen voorbij lijkt te zijn, worden sommige maatregelen stapsgewijs versoepeld. Ook wordt nagedacht over de manier waarop we op de wat langere termijn de samenleving zouden kunnen inrichten. Hoe organiseren we een samenleving waarin mensen anderhalve meter afstand van elkaar houden? Het treffen van op de persoon gerichte maatregelen zou het – in combinatie met een grotere beschikbaarheid aan coronatests – makkelijker kunnen maken om de huidige collectieve vrijheidsbeperkende maatregelen langzaam te versoepelen. Maar sommige vrijheidsbeperkende maatregelen – onder meer het verbod op grootschalige evenementen en samenkomsten van grote groepen mensen – zullen naar verwachting nog langere tijd noodzakelijk zijn.  

 

1. Welke vrijheidsrechten zijn in het geding?

Om het coronavirus uit te bannen, staat ieders dagelijks leven op zijn kop: we moeten allemaal zoveel mogelijk thuisblijven. Scholen, openbare gelegenheden, cafés, restaurants, kerken en moskeeën waren wekenlang (vrijwel) dicht en mogen nu alleen open onder allerlei beperkende voorwaarden. Er zijn samenscholingsverboden uitgevaardigd en rechtszittingen zijn afgelast of uitgesteld; mensen met een beperking die in een zorginstelling wonen en mensen in verpleeghuizen mogen geen of slechts heel beperkt bezoek ontvangen. Wie bepaalde ziekteverschijnselen vertoont, moet in thuisquarantaine. Mensen die met een corona-besmetting in het ziekenhuis worden opgenomen, komen in isolatie zonder mogelijkheid van bezoek van hun naasten. Dat heeft enorme gevolgen voor heel veel mensenrechten en fundamentele vrijheden, zoals de vrijheid van vergadering en betoging, de bewegingsvrijheid, de godsdienstvrijheid, het recht op privéleven (dat ook het recht om sociale contacten te onderhouden omvat), het eigendomsrecht (bijvoorbeeld van de ondernemers die hun bedrijf moeten sluiten), de toegang tot de rechter en het recht op onderwijs. Mogen die individuele mensenrechten allemaal beperkt worden? Waar is dat geregeld? En hoever mag dat gaan?

2. Mag de regering zulke ingrijpende maatregelen treffen?

De mensenrechten laten behoorlijk wat ruimte aan de overheid om maatregelen te treffen ter bescherming van de volksgezondheid, ook als die een beperking van de vrijheid van burgers opleveren. Er zijn zelfs mensenrechtenbepalingen die juist van de overheid verlangen dat ze optreedt. Zo is de Nederlandse overheid verplicht om maatregelen te treffen ter bevordering van de volksgezondheid (art. 22 Grondwet). Zij moet epidemieën zoveel mogelijk voorkomen (art. 11 Europees Sociaal Handvest) en moet het recht op een zo goed mogelijke gezondheid van eenieder garanderen (art. 12 Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten). Om deze opdrachten uit te voeren werkt Nederland samen met de 193 andere lidstaten van de Wereld Gezondheidsorganisatie en sloot zij zich aan bij de Internationale Gezondheidsregeling (2005). Als er echter vrijheidsrechten worden ingeperkt om de gezondheid te beschermen, dan stellen allerlei mensenrechtenbepalingen ook weer grenzen aan die vrijheidsbeperkingen. 

3. Hoe ver mogen de vrijheidsbeperkingen gaan?

Er is dus een mensenrechtelijke opdracht voor de overheid om op te treden ter bescherming van de gezondheid, maar tegelijkertijd stellen de Grondwet en allerlei mensenrechtenverdragen ook grenzen aan de inbreuk op allerlei vrijheidsrechten die daarbij plaatsvindt. Bij alle bovengenoemde rechten en vrijheden geldt de bescherming van de volksgezondheid als legitiem doel om inbreuken te kunnen rechtvaardigen. Maar naast zo’n legitiem doel moet nog aan enkele andere eisen worden voldaan, wil een inbreuk echt gerechtvaardigd zijn: de eis van een wettelijke basis en de eis van evenredigheid (proportionaliteit).

Wettelijke basis

Een inbreuk op een vrijheidsrecht moet wettelijk geregeld zijn. Dat betekent dat er een voldoende duidelijke wettelijke basis voor de maatregelen moet zijn: mensen moeten kunnen weten wat ze wel en niet mogen. De regels moeten ook duidelijk zijn om willekeur bij handhaving te voorkomen. Voor de op dit moment in Nederland getroffen maatregelen bieden de Wet publieke gezondheid en de Wet veiligheidsregio’s – waarover hieronder meer – een wettelijke basis. Op basis van deze wetten kan de regering opdrachten geven aan de burgemeesters en voorzitters van de veiligheidsregio’s om noodverordeningen uit te vaardigen. En in die noodverordeningen staat dan bijvoorbeeld dat samenkomsten verboden zijn en dat horecagelegenheden en dergelijke dicht moeten.

Niet verder inperken dan nodig

Vrijheidsbeperkende maatregelen om verspreiding van het virus tegen te gaan moeten in een evenredige verhouding staan tot dat doel. Dat noemen we de proportionaliteiteis: de maatregelen mogen niet verder gaan dan nodig is om het doel te bereiken. Daarnaast moeten de maatregelen voldoen aan de subsidiariteitseis: is er geen minder ingrijpende maatregel beschikbaar waarmee de volksgezondheid voldoende beschermd wordt? Met het oog op deze twee eisen  wijst de Raad van Europa alle 47 lidstaten er in een recent gepubliceerde ‘Mensenrechten en COVID-19’-toolkit op dat het van belang is om de vrijheidsbeperkende maatregelen in duur te beperken tot het moment waarop het besmettingsgevaar en het risico voor de volksgezondheid voldoende zijn ingedamd.

Afweging

De regering heeft in de afgelopen maanden een afweging tussen het algemeen belang van de volksgezondheid en de individuele mensenrechten gemaakt en op basis daarvan tot de vrijheidsbeperkingen besloten. Daarbij baseert zij zich steeds op wetenschappelijke inzichten. Voor het College is het nu nog niet goed mogelijk om te beoordelen of de nu gemaakte inbreuken op vrijheidsrechten wel of niet proportioneel zijn. Duidelijk is dat sprake is van ernstige gezondheidsrisico’s voor een deel van de bevolking. Ook is helder dat er een noodzaak is om overbelasting van de ziekenhuiszorg zoveel mogelijk te voorkomen, omdat anders een situatie ontstaat waarin artsen moeten gaan beslissen wie te helpen en wie niet. Dan staan er mensenlevens op het spel. Hoe het echter precies zit met de risico’s op verspreiding van het virus is ook voor specialisten nog in belangrijke mate onduidelijk en daarom is het nu nog heel lastig om iets te zeggen over de proportionaliteit en subsidiariteit van de getroffen maatregelen. 

4. Welke wetten vormen de basis voor de maatregelen?

Wet publieke gezondheid

In de Wet publieke gezondheid (Wpg) is vastgelegd hoe infectieziekten als COVID-19 opgespoord en bestreden moeten worden. Hierin staan de verschillende rollen en bevoegdheden beschreven van minister, burgemeesters, artsen, Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD’en) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Ook staat in de Wpg hoe en wanneer opgeschaald kan worden. COVID-19 is dermate ernstig dat het onder de in de Wpg genoemde A-categorie valt. Dat is de categorie van besmettelijke ziekten waarbij snel vergaande maatregelen mogen worden genomen om de verspreiding ervan te voorkomen, zonder dat de normale, soms tijdrovende, procedures hoeven te worden gevolgd.

Veiligheidsregio’s nemen noodverordeningen aan

Wij zien op TV en sociale media dat de regering steeds nieuwe maatregelen afkondigt. Het daadwerkelijk treffen van die maatregelen gebeurt echter op regionaal niveau. Op basis van artikel 7 Wpg geeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport opdrachten aan de voorzitters van de 25 veiligheidsregio’s. Die hebben inmiddels, op basis van artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s (Wvr) bevoegdheden van burgemeesters overgenomen, waardoor zij maatregelen zoals het uitvaardigen van noodverordeningen en het opleggen van  quarantaineverplichtingen regionaal kunnen uitvoeren. Ook de Commissarissen van de Koning (CdK’s) kunnen bevoegdheden van de burgemeesters overnemen (art. 42 Wvr).

5. Is de huidige wettelijke basis stevig en duidelijk genoeg?

Over sommige onderdelen van het pakket van vrijheidsbeperkende coronamaatregelen is de afgelopen weken veel juridische discussie ontstaan. De Wpg biedt veel in detail geregelde bevoegdheden om infectieziekten te bestrijden, maar die bevoegdheden richten zich vooral op het isoleren van individuele besmette personen of het afschermen van bepaalde besmette locaties. Voor het opleggen van maatregelen aan de hele samenleving was het gebruik van de noodverordeningen door de veiligheidsregio’s (zoals hierboven omschreven) noodzakelijk. En dat levert allerlei grondwettelijke en mensenrechtelijke complicaties op. Want het is de vraag of deze noodverordeningen een voldoende wettelijke basis vormen voor een aantal van de inbreuken op vrijheidsrechten die nu aan de orde zijn.

Bij noodverordening mag niet worden afgeweken van de Grondwet – Art. 176 van de Gemeentewet regelt dat bij noodverordening niet mag worden afgeweken van de Grondwet. En het uitgangspunt van de Grondwet is dat grote inbreuken op vrijheidsrechten in een wet van regering en parlement moeten worden vastgelegd. Aan dat uitgangspunt wordt met de vrijheidsbeperkingen die nu in de noodverordeningen zijn vastgelegd niet volledig voldaan. Er is weliswaar op basis van de Gemeentewet en de Wpg enige ruimte om via een noodverordening kortdurende inbreuken op vrijheidsrechten op te leggen (denk aan de verplichting om woningen in een bepaald gebied tijdelijk te ontruimen, omdat er een bij graafwerkzaamheden gevonden bom uit de Tweede Wereldoorlog onschadelijk moet worden gemaakt), maar niet om langdurige en omvangrijke ingrepen in vrijheidsrechten op te leggen. 

Het samenscholingsverbod en religieuze samenkomsten

De uitgevaardigde noodverordeningen verbieden allerlei samenkomsten, maar maken een uitzondering voor religieuze en levensbeschouwelijke samenkomsten: deze zijn momenteel toegestaan tot een maximum van 30 deelnemers. Deze uitzonderingspositie heeft te maken met de manier waarop artikel 6 van de Grondwet bescherming geeft aan de vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing. Het samenkomen binnen een kerkgebouw, moskee, synagoge of ander gebouw om een godsdienst of levensbeschouwing te belijden, mag volgens de Grondwet alleen door een wet (vastgesteld door regering en parlement) worden beperkt. Dus of de maximum-deelnemersgrens voor religieuze of levensbeschouwelijke samenkomsten binnen gebouwen in een noodverordening geregeld mag worden is grondwettelijk zeer dubieus. Een noodverordening is immers geen wet. Nu is het zo dat de rechtspraak niet volledig uitsluit dat gemeentelijke regels (denk aan brandweervoorschriften) grenzen stellen aan het aantal mensen dat is toegelaten binnen een kerkgebouw. Maar deze rechtspraak ziet niet op situaties waarin gemeentelijke verordeningen zulke vergaande beperkingen aan het aantal samenkomende mensen opleggen als nu gebeurt in de noodverordeningen.

Noodverordeningen en samenkomsten in de privésfeer van een woning

Over het handhaven van het verbod op samenkomsten binnen woningen is bij de afkondiging van de maatregelen op 23 maart 2020 onduidelijkheid gerezen. Minister Grapperhaus gaf aan dat er binnen de privésfeer van iemands woning geen handhaving zou plaatsvinden, omdat de Grondwet zo’n inbreuk op de privésfeer niet zou toestaan. Tegelijkertijd verschijnen er de afgelopen weken berichten op sociale media waaruit blijkt dat de politie soms toch optreedt tegen feestjes en andere samenkomsten van groepjes mensen binnen woningen. Hoe zit dat nu?

Het is volgens de bestuursrechtspraak niet helemaal uitgesloten dat bij gemeentelijke verordening gedragingen die plaatsvinden in de privésfeer van iemands woning of erf worden gereguleerd, als die gedragingen een ‘reflexwerking’ op de openbare orde hebben. Men zou kunnen redeneren dat daarvan sprake is als een samenkomst in de privésfeer het risico op verspreiding van het virus vergroot. Maar dat vergt dan wel een heel ruime interpretatie van het begrip openbare orde. En zo’n ruime interpretatie is mensenrechtelijk zeker niet gewenst, want die maakt het veel te makkelijk om via gemeentelijke regels in te grijpen in de privésfeer van burgers. Opnieuw moet hier het uitgangspunt van de Grondwet vastgehouden worden: inbreuken op het huisrecht en de privésfeer van burgers moeten in een wet worden vastgelegd.

Vraag is bovendien hoe de handhaving binnen woningen moet plaatsvinden. Artikel 12 Grondwet en de Algemene wet binnentreden geven namelijk strenge regels over het binnentreden in woningen zonder toestemming van de bewoner. In de meeste gevallen is het  nodig dat de overheidsfunctionarissen die binnentreden daarvoor een machtiging hebben gekregen van de officier van justitie of de burgemeester. Zo’n machtiging is weliswaar niet nodig in geval van onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen, maar deze uitzondering is niet zo ruim dat ook optreden om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan daaronder valt.

Ten slotte is een juridisch probleem dat het verbod op samenkomsten in de privésfeer in de nu geldende noodverordeningen helemaal niet nader omschreven of geclausuleerd wordt. Vallen samengestelde gezinnen en visite door naaste familie er ook onder, zelfs als er goed anderhalve meter afstand gehouden wordt? Is het logisch om studenten die in groepen in een huis samenwonen niet gelijk te stellen met gezinsleden? Daarom zijn er wel juristen die stellen dat het verbod te vaag is om juridisch houdbaar en handhaafbaar te kunnen zijn.

Nieuwe (spoed)wetgeving in de maak

Inmiddels werkt de regering aan een spoedwet om beperkende maatregelen juridisch beter vast te leggen, ter vervanging van de noodverordeningen. In het licht van de hierboven geschetste juridische probleempunten lijkt dat een verstandige beslissing, want ook in een crisissituatie moeten de grondwettelijke en verdragsrechtelijke regels en principes voor inbreuken op vrijheidsrechten gevolgd worden.

6. Waarom roept de regering geen noodtoestand uit?

Bovengenoemde wetten en regels boden volgens de regering in de afgelopen weken voldoende mogelijkheden en bevoegdheden om de maatregelen te treffen die de coronacrisis het hoofd moeten bieden. In Nederland is dan ook geen noodtoestand uitgeroepen, zoals in enkele andere landen. Als de regering een noodtoestand afkondigt, kan zij bepaalde vrijheidsrechten tijdelijk opschorten en is er bijvoorbeeld de mogelijkheid om het leger in te zetten voor ordehandhavingstaken. De bevoegdheid van de regering om dat te doen, staat in artikel 103 Grondwet en de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Als een uitzonderingstoestand is uitgeroepen, kan de regering allerlei specifieke noodwetten toepassen, bijvoorbeeld op het terrein van de voedselvoorziening, de geneeskundige zorg of de rechtspleging. De noodwetten voor deze terreinen zijn echter niet toegesneden op een situatie als die van de huidige coronacrisis. Deze noodwetten zijn veel meer gericht op situaties van oorlog en andere gewapende conflicten.

Naast die noodwetten vinden we in het Nederlandse rechtssysteem ook artikelen in ‘gewone’ wetten die regelen welke maatregelen kunnen worden getroffen als er sprake is van extreme noodsituaties. Ook de Wvr heeft zulke noodbepalingen (art. 53 en 54). Die artikelen bieden onder meer de mogelijkheid voor de minister van Justitie en Veiligheid om bevoegdheden van de burgemeesters of de CdK’s over te nemen. Dan kan er met grotere snelheid worden opgetreden en hoeft medewerking van de veiligheidsregio’s niet te worden afgewacht. Deze artikelen staan in een soort ‘waakvlam-stand’. Ze staan wel in de wet, maar ze zijn niet in werking. Om dat te laten gebeuren is een speciaal besluit van de regering nodig. En zo’n besluit is nog niet genomen. Overigens kan de regering zo’n besluit nemen zonder een noodtoestand uit te roepen.

7. Gaan de vrijheidsbeperkingen niet veel verder dan toegestaan volgens mensenrechtenverdragen?

De vrijheidsbeperkingen die de afgelopen weken golden en nu nog steeds gelden gaan heel ver en treffen heel veel mensen. Mensenrechtenverdragen staan staten echter toe om tijdelijk af te wijken van de verdragsverplichtingen. Daar gelden wel strenge eisen voor, zowel inhoudelijk als procedureel. Deze staan onder meer in name artikel 15 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Nederland heeft tot dusverre geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

De jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) laat staten vrij veel ruimte om zelf te beslissen of sprake is van een crisissituatie die noopt tot het afwijken van de EVRM-verplichtingen. Het uitroepen van een formele noodtoestand is niet vereist. Afwijken van verplichtingen mag echter alleen tijdelijk zijn om een crisissituatie te boven te komen. En het mag niet zo zijn dat de noodmaatregelen of noodwetten resulteren in een carte blanche van de wetgever aan de regering. In Nederland zien we dat de Grondwet en andere wetten, zoals de Wpg, bepaalde grenzen stellen aan de getroffen maatregelen en soms ook rechterlijke toetsing van bepaalde (quarantaine)maatregelen mogelijk maken.

Het EHRM zal altijd kunnen toetsen of de situatie zo ernstig was dat de getroffen noodmaatregelen strikt vereist waren. Die toetsing door het EHRM vindt altijd pas achteraf plaats, eerst moeten dan nationale rechterlijke instanties een uitspraak daarover doen.  Van wat voor crisissituatie ook sprake is, van bepaalde rechten mag nooit worden afgeweken. Dat zijn bijvoorbeeld het recht op leven, het verbod van onmenselijke behandeling en het verbod van strafwetgeving met terugwerkende kracht.

Wat procedurele eisen betreft, bepaalt artikel 15 EVRM dat maatregelen die verder gaan dan een reguliere inperking van vrijheidsrechten worden aangemeld bij de Raad van Europa. Nederland heeft de maatregelen die zijn getroffen niet gemeld bij de Raad van Europa.

8. Is (thuis)quarantaine een vorm van vrijheidsbeneming?

De oproep van de regering om zoveel mogelijk thuis te blijven en alleen voor echt noodzakelijke dingen de deur uit te gaan is een vorm van vrijheidsbeperking. Maar als aan een individu een concrete verplichting wordt opgelegd om thuis of elders in quarantaine te gaan om anderen niet te besmetten is dat een vorm van vrijheidbeneming. Artikel 5 lid 1(e) EVRM maakt het mogelijk om individuen hun vrijheid te benemen om verspreiding van besmettelijke ziekten tegen te gaan. De rechter moet dan wel altijd kunnen toetsen of die dwangmaatregel noodzakelijk en proportioneel is. Die eis geldt ook bij het opleggen van thuisquarantaine. In de Wpg is geregeld welke procedure dan gevolgd moet worden. Overigens is tot dusverre nog geen sprake van het verplicht opleggen van thuisquarantaine. De ‘regels’ over thuisquarantaine bij virusverschijnselen zijn slechts dringende adviezen van het RIVM, die tot dusverre vrijwillig worden nageleefd.

9. Functioneren de rechtstatelijke controlemechanismen nog voldoende?

Het is in een rechtsstaat inderdaad van groot belang dat de volksvertegenwoordiging de uitoefening van bevoegdheden door de uitvoerende macht (de regering, lokale en regionale bestuurders) controleert. Dat is bij het vaststellen van de noodverordeningen door de voorzitters van de veiligheidsregio’s wel wat ingewikkeld. Normaliter moet een noodverordening na uitvaardiging door de burgemeester zo spoedig mogelijk worden goedgekeurd door de gemeenteraad. Maar bij de uitvaardiging van noodverordeningen door de voorzitters van de veiligheidsregio’s geldt die eis niet. Hier zal de controle dus vooral moeten komen van de Tweede Kamer, die moet beoordelen of de manier waarop de ministers opdrachten geven aan de veiligheidsregio’s wettelijk en rechtsstatelijk in de haak is. Ter versterking van de controlerende rol van het parlement komt de regering, zoals boven al vermeld, met een spoedwet ter vervanging van de noodverordeningen.

Van belang is ook dat inspecties en onafhankelijke toezichthouders hun taak kunnen blijven uitvoeren. Er is bijvoorbeeld een mensenrechtelijke plicht om personen van wie de vrijheid is ontnomen voldoende te beschermen tegen het virus en toegang te garanderen tot adequate medische zorg in geval van besmetting. Die zorgplicht geldt voor mensen in gevangenissen en politiecellen, in vreemdelingenbewaring, maar ook voor mensen die in de praktijk ‘vastzitten’ in asielzoekerscentra of in (psychiatrische) ziekenhuizen, zorginstellingen of verpleeghuizen. Juist in dat soort situaties is controle en onderzoek door inspecties en onafhankelijke toezichthouders een belangrijk rechtsstatelijke waarborgmechanisme.

10. Functioneert de rechtspraak nog voldoende?

Er worden nog rechtszaken afgehandeld door de rechterlijke instanties in Nederland, maar in veel gevallen zijn rechtszittingen uitgesteld, of vinden die in een andere vorm plaats (via de telefoon of via videoverbindingen). Niet binnen alle gebouwen van de rechterlijke instanties is het mogelijk om zittingen te organiseren op een veilige manier, bijvoorbeeld met inachtneming van de anderhalve meter afstand tussen personen. Bovendien is het soms de vraag of procespartijen in staat zijn om op een veilige manier naar de rechterlijke instantie te reizen. Het recht op een eerlijk proces vergt van de rechterlijke instanties dat er bij het bepalen van de zaken die prioriteit krijgen in afhandeling oog is voor die zaken waarin bijzondere procedurele zorg voor een procespartij aan de orde is (bijvoorbeeld bij kwetsbare personen, familiezaken, arbeidsrechtelijke zaken). Ook mag de behandeling van zaken die gaan over voortzetting van iemands detentie of gedwongen opname in een inrichting niet stopgezet worden. Er mag wel wat worden afgeweken van de ‘normale’ behandeling van een rechtszaak, maar bepaalde elementen van het recht op een eerlijk proces mogen door zo’n afwijkende behandeling niet aangetast worden: denk aan het recht op equality of arms en de onschuldpresumptie. Ook mag de onafhankelijkheid van de rechters niet worden aangetast door aanpassingen van de procedures en moet de openbaarheid van rechtszittingen en rechterlijke uitspraken niet volledig teniet worden gedaan.  

11. Wie is verantwoordelijk voor het corona-beleid in het Caribisch deel van het Koninkrijk?

Het recht op gezondheid uit het IVESCR en de Internationale Gezondheidsregeling gelden ook in Caribisch Nederland en de Koninkrijkslanden Aruba, St. Maarten en Curaçao. In Caribisch Nederland, de eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, is de Wet publieke gezondheid (grotendeels) op dezelfde manier van toepassing als in Europees Nederland. Het RIVM is dus ook werkzaam voor deze eilanden en ook de ministeriële opdrachten van art. 7 Wpg gelden er. Aruba,  Curaçao en Sint Maarten zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de internationale verdragsverplichtingen. Wel geldt op basis van artikel 36 van het Statuut voor het Koninkrijk een verplichting voor Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten om elkaar hulp en bijstand te verlenen. Bovendien stelt artikel 43 lid 2 van het Statuut dat het waarborgen van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden een aangelegenheid is van het Koninkrijk (en dus niet alleen een verantwoordelijkheid is voor de afzonderlijke landsregeringen). Nederland spant zich dan ook in om op allerlei manieren de Caribische delen van het Koninkrijk te ondersteunen, van de inzet van marineschepen tot het invliegen van mobiele intensive care-units.

12. Welke andere mensenrechten zijn in deze situatie van belang?

 

De Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN heeft een overzicht van alle mensenrechtelijke verplichtingen die relevant zijn voor staten bij het bestrijden van de coronacrisis gepubliceerd. En ook het EU-grondrechtenagentschap heeft een rapport gepubliceerd over alle mensenrechten die worden geraakt door de huidige situatie. Deze beide documenten maken duidelijk dat dat de corona-crisis niet alleen vrijheidsrechten aantast. Ook het recht op werk, het recht op gezondheid, het recht op huisvesting en het recht op onderwijs worden geraakt.

Bij de aantasting van deze rechten geldt voor de overheid een extra zorgplicht voor personen in een kwetsbare positie. Zo brengt het gedwongen thuisblijven en thuiswerken extra risico’s met zich op huiselijk geweld en moet de overheid zijn best doen om ervoor te zorgen dat de slachtoffers daarvan (vooral vrouwen) terecht kunnen bij hulpverlenende instanties. De toegankelijkheid van medische voorzieningen met betrekking tot het nieuwe coronavirus moet voor iedereen gelijk gewaarborgd zijn, conform het gelijkheidsbeginsel. Iemands afkomst, sociale status, financiële middelen, of leeftijd mag niet bepalend zijn voor de toegang tot medische zorg.

Toegankelijkheid is daarnaast één van de grondbeginselen genoemd in artikel 3 van het VN-verdrag handicap en is als recht opgenomen in artikel 9 van het verdrag. De overheid moet passende maatregelen nemen om toegankelijkheid van medische zorg en andere voorzieningen voor mensen met een beperking op voet van gelijkheid met anderen te garanderen. Daarbij gaat het ook om toegankelijkheid van informatie en communicatie over de corona-maatregelen van de overheid. Het inschakelen van gebarentolken bij belangrijke officiële mededelingen is dan ook een goede beslissing. Mensen met een visuele beperking geven aan dat zij vaak gebaat zijn bij audiodescriptie (iemand die beschrijft wat er gebeurt, dus ook voor de persconferentie: wie er plaatsnemen achter de microfoons, wanneer het gaat beginnen). 

Ook moet de overheid in de huidige risicovolle situatie alle nodige maatregelen nemen om de bescherming en veiligheid van mensen met een beperking te waarborgen (art. 11 VN-verdrag handicap). In het algemeen is er een mensenrechtelijke verplichting om bij veiligheids- en gezondheidsrisico’s ervoor te zorgen dat niemand gedwongen verstoken blijft van hulp en zorg, ook groepen die minder makkelijk te bereiken zijn (denk aan: dak- en thuislozen, laaggeletterden, vreemdelingen die de Nederlandse taal niet goed beheersen, ouderen die minder handig zijn in het gebruik van digitale informatiekanalen).

In een recent bericht van het Europees Netwerk van Nationale Mensenrechteninstituten (ENNHRI) wordt ten slotte aandacht gevestigd op de economische maatregelen die overheden treffen om de coronacrisis te boven te komen. Bij die economische maatregelen zou de realisatie van economische en sociale mensenrechten centraal moeten staan.

13. Welke mensenrechtelijke grenzen gelden bij het gebruik van een traceer-app?

Het kabinet onderzoekt of het gebruik van bepaalde apps op smartphones kan helpen om de generieke, voor iedereen geldende, vrijheidsbeperkingen te versoepelen en te vervangen door een meer individu-gerichte aanpak. Het gaat dan onder meer om een ‘traceer-app’ waarmee in kaart zou kunnen worden gebracht wie contact heeft gehad met een met het virus besmette persoon, zodat die personen dan in quarantaine geplaatst zouden kunnen worden om verspreiding van het virus te voorkomen. Ook wordt nagedacht over een ‘gezondheids-app’ waarmee de gezondheidstoestand en eventuele COVID-19 symptomen van de gebruiker kunnen worden bijgehouden en gedeeld met artsen. Een groep van 60 wetenschappers en experts heeft het kabinet inmiddels in een open brief opgeroepen om kritisch te kijken naar het nut en de noodzaak van dit soort corona-apps.

Een belangrijke mensenrechtelijke en rechtsstatelijke grens bij het gebruik van dit soort apps is dat het recht op privéleven voldoende gewaarborgd wordt en dat er goede toezichtsmechanismen zijn om te bewaken dat de door die apps verzamelde gegevens op een verantwoorde manier worden geanalyseerd, gebruikt, opgeslagen en gedeeld met derden. Bij het delen van gezondheidsgegevens van individuen met anderen via de traceer-app is vooral van belang dat dit geanonimiseerd gebeurt. Vraag is of het altijd volledig realiseerbaar is om die anonimiteit te garanderen. En daarmee is het dan ook de vraag of een eventuele verplichting tot het gebruiken van dergelijke apps dan proportioneel is en of de sociale implicaties ervan niet te ernstig zijn. Bovendien zal bij het opleggen van zo’n verplichting voldoende moeten zijn aangetoond dat het systeem daadwerkelijk geschikt is om voldoende bescherming tegen verspreiding van het virus te genereren om nieuwe uitbraken te voorkomen.  Dat is vooralsnog in het geheel niet duidelijk.

Het College bracht op 20 april 2020 een afzonderlijk advies over de randvoorwaarden voor het gebruik van corona-apps uit.

14. Gezondheidscontroles als voorwaarde voor toegang tot gebouwen of diensten: mag dat?

Om verspreiding van Covid-19 te voorkomen, zijn er in Nederland bedrijven en instellingen die gezondheidscontroles gebruiken als voorwaarde voor de toegang tot een gebouw of het gebruikmaken van een bepaalde dienst. Een dergelijke verplichte temperatuurmeting vindt plaats bij onder meer verpleeg- en verzorgingstehuizen als voorwaarde voor bezoek. Ook zijn er bedrijven die dergelijke verplichte metingen introduceren voor hun personeel. Het doel van dit soort maatregelen is het beschermen van de gezondheid, en dat is begrijpelijk bij een dergelijk gevaarlijk en besmettelijk virus. Maar hierbij moeten wel mensenrechtelijke grenzen en voorwaarden worden gerespecteerd. Dergelijke controles mogen niet zomaar.

Recht op gezondheid, recht op privacy en recht op lichamelijke integriteit

Een temperatuurmeting is in beginsel een uitvloeisel van het recht op gezondheid, omdat het doel ervan is om mensen te beschermen tegen besmetting met het virus. Omwille van de volksgezondheid draagt de overheid werkgevers en zorgverleners op om te zorgen dat werknemers, en bewoners en personeel van zorginstellingen daar in een veilige, gezonde omgeving kunnen werken en verblijven. Zij moeten zich dus inspannen om het coronavirus buiten de deur te houden. Ook aanbieders van diensten moeten de hygiënenormen van hun branche en het RIVM aanhouden.

Het recht op gezondheid kan vereisen dat andere mensenrechten worden ingeperkt. Daarbij gaat het vooral om het recht op privacy (beschikken over je eigen medische gegevens en deze niet hoeven afstaan aan derden) en het recht op eigen lichamelijke integriteit (vastgelegd in artikel 10 - 11 GW en artikel 8 EVRM).

Beperkingen van deze rechten zijn in principe toegestaan, maar moeten wel aan voorwaarden voldoen. Beperkingen mogen alleen als dit bij wet geregeld is en de beperkingen echt noodzakelijk, proportioneel en effectief zijn om het doel van gezondheid te bereiken. Daarbij is dan bijvoorbeeld relevant in hoeverre de opgemeten lichaamstemperatuur iets zegt over het wel of niet besmettelijk zijn van een persoon. Hierop wijst ook het RIVM. Want wanneer heeft iemand daadwerkelijk verhoging of koorts? Onderzoek laat zien dat ouderen bijvoorbeeld vaak een lagere lichaamstemperatuur hebben, waardoor metingen van hun temperatuur anders zouden moeten worden geïnterpreteerd. Voorbehouden als deze maken dat de proportionaliteit en effectiviteit van het (verplicht) afnemen van de temperatuur twijfelachtig is, en kunnen reden zijn dat deze beperking van het recht op privacy en lichamelijke integriteit niet is toegestaan.

Geïnformeerde toestemming

Een temperatuurmeting zal in principe alleen kunnen plaatsvinden met iemands nadrukkelijke en geïnformeerde toestemming. Hetzelfde geldt voor het vastleggen en verwerken van de temperatuurgegevens, die moeten worden beschouwd als medische gegevens. Geïnformeerde toestemming wil zeggen: is duidelijk waar men toestemming voor geeft, en is men zich bewust van de gevolgen van deze toestemming? Hierbij moet altijd rekening gehouden worden met specifieke groepen, zoals mensen met een

15. Kan ik straks nog het OV in met mijn hoofddoek als ik daar ook verplicht ben een mondkapje te dragen? Of kom ik dan in strijd met het verbod op gezichtsbedekking?

De Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding verbiedt het dragen van kleding die het gezicht geheel bedekt of zodanig bedekt dat alleen de ogen onbedekt zijn, dan wel onherkenbaar maakt. Dit verbod geldt in het openbaar vervoer en in gebouwen en bijbehorende erven van onderwijsinstellingen, overheidsinstellingen en zorginstellingen. Deze wet kent echter een uitzondering voor kleding die noodzakelijk is ter bescherming van het lichaam in verband met de gezondheid of de veiligheid (artikel 1 lid 2(b)). Het College gaat ervan uit dat deze uitzondering op de huidige situatie van toepassing is, zeker nu de overheid mensen die gebruik maken van het openbaar vervoer juist verplicht om een mondkapje te dragen ter voorkoming van verspreiding van het coronavirus. Als vrouwen gedwongen zouden worden hun hoofddoek af te doen om met een mondkapje het OV in te mogen zou dit in de ogen van het College een niet-gerechtvaardigde inbreuk op hun godsdienstvrijheid opleveren.

16. Mag een demonstratie zomaar afgelast worden vanwege Corona?

Het organiseren en deelnemen aan demonstraties is een grondrecht (artikel 9 Grondwet, artikel 11 EVRM), dat betekent dat de overheid zich niet zomaar mag mengen in een demonstratie. Het uitgangspunt is dat de overheid demonstraties faciliteert en de bescherming van demonstranten voorop stelt (EHRM 21 juni 1988, par. 34). Demonstraties mogen dus niet zomaar afgelast worden of verplaatst worden naar een onaantrekkelijk tijdstip of een veldje waar niemand je ziet.

Voor een aantal doeleinden mag volgens de Grondwet het recht om te demonstreren beperkt worden, namelijk (1) ter bescherming van de gezondheid, (2) in het belang van het verkeer of (3) ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De verspreiding van het Coronavirus kan een gezondheidsrisico zijn voor de samenleving en de demonstranten zelf; Corona kan dus een reden zijn om het recht om te demonstreren te beperken. Dit betekent echter niet dat de demonstratie zomaar afgelast mag worden, eerst dient nagegaan te worden of de maatregelen proportioneel zijn en of minder vergaande maatregelen genomen kunnen worden (bijvoorbeeld door voldoende afstand tussen demonstranten te faciliteren).

Tenslotte is er voor het beperken van een demonstratie een wettelijke grondslag nodig (zie vraag drie). Voor demonstraties gelden (ook in tijden van Corona) de gebruikelijke regels van de Wet openbare manifestaties (WOM); demonstraties zijn dus niet verboden door een noodverordening (kamerbrief 8 juni 2020, p. 4). Wel is het zo dat de bevoegdheden die volgens de WOM worden uitgeoefend door de burgemeester, vanwege het feit dat er nu noodverordeningen gelden, worden uitgeoefend door de voorzitter van de betreffende veiligheidsregio (zie art. 39 Wet Veligheidsregio’s). Volgens de WOM kunnen voorschriften, beperkingen en - in het ultieme geval - een verbod worden opgelegd ter bescherming van de gezondheid (artikel 5 lid 2 sub c WOM). Welke maatregelen nodig zijn moet bij elke demonstratie opnieuw worden beoordeeld. Het risico op Coronabesmettingen en de mogelijkheden om anderhalve meter afstand van elkaar te houden kan bij deze beoordeling een rol spelen. Ook hierbij geldt dat er eerst moet worden gekeken naar minder vergaande maatregelen en de proportionaliteit van het ingrijpen voordat  een demonstratie kan worden verboden. Als er (veel) meer demonstranten komen opdagen dan door de organisatoren verwacht werd, dan is dat op zich geen voldoende reden om de demonstratie te verbieden of op te breken. Het recht om te betogen omvat ook het recht om (spontaan) aan te sluiten bij een demonstratie. Als het daardoor echter onmogelijk wordt om veilige afstand te houden en besmettingsgevaar binnen de perken te houden, kan dit wel een reden vormen om in te grijpen en bijvoorbeeld geen nieuwe mensen meer toe te laten tot het gebied waar de demonstratie plaatsvindt of de demonstratie te beëindigen.

17. Wat moet de overheid doen om armoede door corona te voorkomen en te bestrijden?

Het coronavirus heeft grote gevolgen voor de economie. Veel mensen hebben geen of minder inkomsten uit werk. De verwachting is dat dit aantal de komende tijd zal toenemen. Wat voor verplichtingen brengen mensenrechten mee voor de overheid om armoede te voorkomen en tegen te gaan?

Wat betekent armoede in termen van mensenrechten?

Het recht op een behoorlijke levensstandaard en bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting zijn fundamentele mensenrechten. Een langdurig tekort aan financiële middelen kan op zichzelf al problematisch zijn vanuit het oogpunt van de rechten van de mens. Het recht op een behoorlijke levensstandaard betekent dat er voldoende inkomensondersteuning moet zijn om armoede te voorkomen.

Armoede raakt ook aan andere mensenrechten, zoals het recht op gezondheid, huisvesting en onderwijs. Bij het vormgeven van de herstelmaatregelen en de maatregelen om de effecten van een eventuele economische crisis te dempen, is het dan ook belangrijk dat aan mensenrechten wordt getoetst.

Gelijkheid en non-discriminatie

Mensenrechten verplichten de overheid om mensen in de meest kwetsbare situaties te beschermen en ervoor te zorgen dat de economische gevolgen van de coronacrisis hen niet onevenredig zwaar treffen. Mensen voor wie de maatregelen grote economische gevolgen hebben zijn bijvoorbeeld mensen met een laag inkomen en mensen met onzekere en tijdelijke arbeidscontracten, zoals flexwerkers. Ook zullen mensen die al regelmatig te kampen hebben met discriminatie bij toegang tot werk nu extra problemen ondervinden, zoals vrouwen, mensen met een beperking, ouderen, mensen met een migratieachtergrond en arbeidsmigranten.

Als er minder banen beschikbaar zijn door de crisissituatie, is er een nog groter risico op discriminatie van mensen uit die groepen bij toegang tot en behoud van werk. Het is nodig daar actief beleid op te ontwikkelen bij economische teruggang. Voorkomen moet worden dat mensen in armoede terecht komen. Mochten mensen in armoede terecht zijn gekomen, dan moeten maatregelen worden genomen om hen daar zo snel mogelijk uit te halen.

Om discriminatie en toenemende ongelijkheid te voorkomen, zou de overheid de te verwachten gevolgen van voorgenomen maatregelen moeten onderzoeken en zouden zij na verloop van tijd de daadwerkelijke gevolgen moeten monitoren. Als bezuinigingen noodzakelijk zijn, mogen de meest kwetsbare mensen daardoor niet het hardst getroffen worden.

Participatie en empowerment

Cruciaal voor een effectieve bescherming van economische en sociale rechten is dat mensen tijdig en op alle fronten worden betrokken bij het maken, uitvoeren en monitoren van beleid. Dat vraagt van nationale en lokale overheden dat zij in een vroeg stadium nagaan wie mogelijk wordt geraakt door het beleid en hoe zij kunnen garanderen dat besluiten met hen en niet voor hen worden genomen. Extra inspanning om mensen te betrekken kan noodzakelijk zijn, omdat deelnemen aan de samenleving voor verschillende groepen mensen als gevolg van de beperkingen, maar ook door het wegvallen van de beperkingen, niet goed mogelijk is. Denk daarbij onder meer aan ouderen en mensen met een beperking. De verminderde zichtbaarheid mag niet tot gevolg hebben dat zij niet worden betrokken. Integendeel.

18. Zijn de bezoekregelingen van zorginstellingen in strijd met mensenrechten?

Vanwege covid-19 konden bezoekers lange tijd niet of beperkt naar binnen bij instellingen voor ouderenzorg en gehandicaptenzorg. Inmiddels kunnen familie en vrienden vaak weer op bezoek bij ouderen of mensen met een beperking. In hoeverre mag een instelling bezoek helemaal of deels verbieden voor de veiligheid en de gezondheid? Welke mensenrechten spelen hierbij een rol? En wie mag daarover beslissen?

Het recht op privé- en gezinsleven en autonomie

De bewoners van instellingen voor ouderenzorg en gehandicaptenzorg hebben net als ieder ander recht op privé- en gezinsleven (artikel 10 Grondwet, artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 22 VN-verdrag handicap).

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft dit recht uitgelegd als een recht dat van groot belang is voor de ontwikkeling en uitdrukking van iemands identiteit en persoonlijkheid. Daaronder valt ook het recht om banden te onderhouden tussen partners in een duurzame relatie, met minderjarige kinderen en om relaties met anderen aan te gaan en te onderhouden.

Verder moeten ouderen en mensen met een beperking zoveel mogelijk vrijheid hebben om zelf beslissingen te nemen. Dit heet persoonlijke autonomie en geldt als grondbeginsel van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het VN-verdrag handicap.

In de periode dat instellingen geen of nauwelijks bezoekers toelieten, werden deze rechten van ouderen en mensen met een beperking voor een groot deel opzij geschoven. Daarnaast verboden instellingen bewoners vaak om het pand of de locatie te verlaten. De bewoners konden hierdoor in een sociaal isolement belanden, met groot risico op psychische, fysieke, emotionele en pedagogische schade.

De impact is heel groot voor ouderen en mensen met een beperking omdat zij afhankelijk zijn van anderen. Direct contact met familie en cruciale personen is voor hen extra belangrijk, omdat zij verder vaak weinig persoonlijke contacten hebben. Niet iedereen begrijpt of waardeert alternatieve vormen van communicatie, zoals beeldbellen.

Recht op leven en zo goed mogelijke gezondheid

Daarnaast hebben de bewoners, maar ook personeel en bezoekers, recht op een zo goed mogelijke gezondheid en op goede zorgverlening. De overheid is mensenrechtelijk verplicht om deze te beschermen en moet dus maatregelen nemen bij een pandemie als covid-19.

Zorgaanbieders moeten ‘goede zorg’ verlenen op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: Wkkgz). Om goede zorg te verlenen moeten ze besmettingen voorkomen maar ook de rechten van cliënten respecteren (artikel 2 lid 2 sub c Wkkgz).

Zorgvuldig afwegen van belangen

De zorginstellingen in de ouderenzorg baseerden hun bezoekverbod op de geldende noodverordeningen van de overheid. In de gehandicaptenzorg maakten brancheorganisaties een eigen bezoekersregeling. De beperking van rechten vond dus vooral plaats in de relatie tussen zorgaanbieder en cliënt. Maar de overheid is ook verantwoordelijk, omdat de instellingen besluiten namen op basis van overheidsvoorschriften.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft bepaald dat de overheid in zo’n situatie moet zorgen dat grondrechten ook in private verhoudingen beschermd worden, dus tussen burgers en organisaties.

De overheid moet altijd een zorgvuldige afweging maken van de verschillende belangen en duidelijk uitleggen hoe deze afweging gedaan is. Voor die afweging zijn van belang:

  • de grondslag van de rechten en beperkingen (waar die rechten en beperkingen op gebaseerd zijn);
  • de legitimiteit van de doelstellingen (of het doel wel goed is);
  • de proportionaliteit (of het niet een te zwaar middel is); 
  • en de geschiktheid van de maatregelen.

De maatregelen hadden een legitiem doel, namelijk de bescherming van de volksgezondheid. Staten hebben volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens veel vrijheid om zelf beleid te maken waardoor meer mensen gezond blijven. Deze beleidsvrijheid wordt kleiner als het gaat over een kernrecht als het recht op privé- en gezinsleven, waarbij ook het belangrijke beginsel van persoonlijke autonomie meeweegt.

Het bezoekverbod lijkt direct na de uitbraak van covid-19 proportioneel en noodzakelijk te zijn geweest om verspreiding van het virus te voorkomen. De ziekte greep om zich heen, ook in zorginstellingen. Maar naarmate deze verspreiding afneemt, hebben instellingen meer mogelijkheden om het recht op privé- en gezinsleven te respecteren.

Echter, zelfs toen het ministerie van Volkgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de branche adviseerden om de strenge bezoekmaatregelen af te bouwen, bleven diverse zorginstellingen vasthouden aan het bezoekverbod of ze boden slechts heel beperkte bezoekmogelijkheden en dan soms met gezondheidscontroles voor de bezoekers.

Dit is niet in alle gevallen meer proportioneel (het middel is te zwaar): zorginstellingen kunnen inmiddels in overleg met de cliëntenraad nieuwe regels opstellen waarbij bezoekers veilig hun familie of vrienden kunnen bezoeken. Zo kunnen bezoekers afstand houden, beschermende kleding dragen of getest worden.

In plaats van een algemene bezoekregeling moeten zorginstellingen per locatie inschatten hoe groot het risico is op besmetting en regels waar mogelijk aanpassen aan de specifieke situatie. Daarnaast moeten instellingen de wilsbekwaamheid van de bewoner respecteren. Dat betekent dat zij zoveel mogelijk de wensen moeten respecteren van bewoners die in staat zijn om zelf te bepalen of bezoek voor hem of haar goed is en of hij of zij dat wil of niet.

Tijdelijke wet maatregelen covid-19

De Tijdelijke wet maatregelen covid-19 die de minister van VWS op dinsdag 14 juli 2020 naar de Tweede Kamer zond, maakt duidelijk dat de zorgaanbieders ervoor moeten zorgen dat bezoekers voldoende afstand houden. Alleen als de minister dat apart nog bepaalt, kan bezoek beperkt of verboden worden. Dat kan hij doen als er in de regio een uitbraak is en de zorglocaties daartegen onvoldoende maatregelen nemen. Ook moet de instelling rekening houden met de consequenties van een nieuw bezoekverbod of bezoekbeperking voor het algehele welzijn van de cliënten, patiënten en zorgverleners.

Ten slotte mogen zorginstellingen volgens het wetsvoorstel de toegang niet beperken voor functionarissen die wettelijk recht op contact met bewoners hebben, zoals advocaten, cliëntenvertrouwenspersonen en patiëntenvertrouwenspersonen. Zo staat dat immers ook in de Wet zorg en dwang en de Wet verplichte ggz. Het College heeft in zijn commentaar op de eerdere versie van het wetsvoorstel er op aangedrongen om dat zo te regelen.